Homoseksualiteit in de Bijbel, een persoonlijke reflectie door Eelkje de Vries

Inleiding

Een belangrijke reden dat veel christenen moeite hebben met het accepteren van homoseksuele relaties is dat er in de Bijbel alleen op negatieve en afkeurende wijze over homoseksueel gedrag wordt gesproken. Voor gelovigen die vanuit hun geloofstraditie mee gekregen hebben dat de Bijbel het laatste woord hoort te hebben in heel ons leven, kan deze wijze van spreken over homoseksuele handelingen zwaar op de maag liggen.
Persoonlijk heb ik heel mijn leven hiermee geworsteld, eerst heb ik jaren geprobeerd mijn eigenlijke geaardheid niet onder ogen te zien en leefde ik zoals de richtlijnen in de Bijbel dat aangeven. Toen ik eindelijk mijn lesbisch zijn voor mijzelf accepteerde, probeerde ik de Bijbel zo te lezen en uit te leggen, dat deze geen belemmering meer vormde voor mijn wijze van zijn, van leven.
Dit artikel is een reflectie op enige artikelen, die ik de afgelopen tijd onder ogen kreeg over het onderwerp.
Afgelopen winter werd ik opmerkzaam gemaakt op het bestaan van een themanummer van het tijdschrift Schrift over seks in de Bijbel. In twee artikelen in dit nummer wordt homoseksualiteit expliciet besproken. Deze artikelen wil ik hieronder bespreken.

Hoe doen ze het in Leviticus? Maarten den Dulk
Samenvatting van de inhoud.

De schrijver begint zijn artikel door aandacht te geven aan de plek waar in het Bijbelboek Leviticus aandacht wordt geschonken aan seksuele ethiek, namelijk in de hoofdstukken 18 en 20. Het tussenliggende hoofdstuk 19 gaat over sociale ethiek, over de omgang met de ander, de naaste. Het gaat daar om naastenliefde. De schrijver wijst op grond van deze plek dat sociale en seksuele ethiek alles met elkaar te maken hebben. De samenleving is ingebed in seksuele relaties, of zoals hij het zegt: “seks is het fluïdum, waardoor het sociale leven blijft stromen”•. Anderzijds strekt het sociale strekt zich ook uit tot in de slaapkamer.

Wat betreft de hoofdstukken 18 en 20. Deze bestaan uit een heel aantal seksuele geboden, waardoor de lezer zich af gaan vragen WAT eigenlijk nog wel mag.
De auteur van het artikel gaat in op dat Wat. In beide hoofdstukken gaat het over een tweetal zaken, die een bedreiging vormen voor de seksuele relatie en daarmee voor de samenleving:

  • 1 Incest
  • 2 Dat wat de relatie ontwricht.
  • Ad.1 Hierbij gaat het om meer dan om seksueel misbruik van kinderen door familieleden. Incest geboden hadden oorspronkelijk de bedoeling de samenleving open te houden en netwerken te stichten buiten de eigen kring. Men kan er een uitdaging in zien tot voordurende uitwisseling, vermenging en integratie om zodoende een vrije en menselijker samenleving te kunnen opbouwen.

    Ad. 2 Hier is de seksuele relatie als zodanig zelf aan de orde. Hoe kunnen twee mensen intiem met elkaar blijven omgaan, zonder elkaar te beschamen. Men is ook in de intimiteit van de seksuele relatie verantwoordelijk voor elkaar en voor die relatie: er moet niet verkracht, bedrogen of vernederd worden. Ook seksuele partners moeten binnen die relatie naar elkaar toe handelen zoals God zich opstelt naar de mensen.

    Ook het bekende en veelbesproken gebod over homoseksualiteit, Leviticus 18: 20 en 20: 13, moet bekeken worden binnen deze context.
    Daar waar het bed gedeeld wordt met een vrouw, hoort geen derde er tussen te komen.
    De schrijver van het artikel illustreert dit met de vertaling van Martin Buber: “Einem Männlichen sollst du nicht beiliegen in Weibs Beilager”•.

    Zo bewaken de geboden van Leviticus het grensgebied van liefde. Ze stimuleren de vorming van nieuwe netwerken van liefde, door ‘incest’ tegen te gaan. Ze waarschuwen tegen ‘ontwrichting van de relatie’, waardoor de intimiteit van de geliefden wordt beschermd. Zo worden ze een omheining van een ontmoeting van twee mensen, die samen onbeschroomd en beschermd willen genieten.

    Eigen reflectie op dit artikel:

    Hoewel ik het artikel met aandacht en interesse gelezen heb, kan ik weinig met de verklaring van de teksten, zoals: ‘een man die niet mag slapen met een andere man, zoals hij met een vrouw slaapt’.
    Zijn verklaring impliceert dat het hier gaat om een uitbreiding van het verbod op overspel. Een getrouwde man mag geen seks hebben met een ander, man noch vrouw. Dat zou betekenen dat ongetrouwde mannen wel seks met elkaar mogen hebben. Eerlijk gezegd kan ik mij dat niet voorstellen.
    Wat betreft deze teksten uit het Bijbelboek Leviticus, ik zie ze als een algemeen verbod op seks tussen 2 mannen.
    Wel vraag ik mij telkens af waarom alleen deze tekstverwijzingen uit dit Bijbelboek ingebracht worden. Op alle andere levensgebieden, lappen we de regelgeving die in Leviticus wordt genoemd aan ons laars als niet meer van toepassing zijnde binnen onze cultuur. Bijvoorbeeld de spijswetten. Alleen deze teksten zouden dan wel nog geldig zijn.

    Het nieuwe Testament en homoseksualiteit Patrick Chatelion Counet.

    Inleiding

    Deze schrijver begint zijn artikel met een uitgebreide inleiding over het begrip homoseksualiteit. Dit is volgens hem een nieuw begrip, pas ontstaan in de 19e eeuw. Toen pas begon men te denken over homoseksualiteit als geaardheid. Voor die tijd wist men wel dat er mannen en vrouwen waren die onderling ‘seksuele handelingen’ deden, maar dat mensen dat deden vanuit een natuurlijke neiging tot seksuele belangstelling voor leden van het eigen geslacht, was onbekend.
    Zowel homoseksualiteit als heteroseksualiteit zijn begrippen die in de tijd dat de Bijbel is ontstaan, niet bestonden.
    Deze notie is nodig om de passages in het Nieuwe Testament die over seksuele handelingen tussen mannen onderling en vrouwen onderling gaan, goed te kunnen begrijpen.

    Jezus

    Als je homoseksualiteit wilt afkeuren, dan kun je niet bij Jezus terecht. In de evangeliën staat niets over seksuele handelingen tussen mannen onderling en vrouwen onderling. Zijn afkeuring betreft vooral overspel, ook noemt Hij ontucht. In hoeverre hieronder ook ‘homoseksuele’ handelingen verstaan worden, is onduidelijk. Maar algemeen gesproken werden dit soort handelingen apart vermeld.
    Een argument dat soms tegen homoseksualiteit gebruikt wordt, is dat de evangeliën uitgaan van het huwelijk als een man-vrouw relatie. Daarbij wordt verondersteld dat Jezus de scheppingstekst in Genesis 2: 24 (Die twee zullen één vlees zijn) instemmend citeert om het heterohuwelijk te verdedigen. Echter als je het Bijbelgedeelte naleest, Marcus 10: 2-9, waarin dit citaat zijn plaats vindt, bemerk je dat het hier niet om homo- of heteroseksualiteit gaat, maar om echtscheiding, binnen de context van polygamie.
    De schrijver van het artikel vermeldt ook nog nadrukkelijk dat Jezus tijdens zijn leven op aarde de Joodse wetten, die in de Bijbel staan als het ware ingedikt heeft voor mensen, die Hem navolgen tot het bekende: ‘God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten’ (Matt 22: 40)

    Paulus

    Paulus schrijft in zijn brieven een paar keer over seksuele handelingen tussen mannen onderling en vrouwen onderling.
    Paulus houdt zich aan de idee dat alleen woorden van Jezus goddelijk voorschrift vormen. Dit betekent dat we daar waar niet expliciet vermeld staat ‘gebod van de Heer’, ermee moeten rekenen dat hij zijn eigen mening geeft. En die is niet absoluut. Dit geldt zeker voor zijn opvattingen over ‘homoseksualiteit’. Gelet op wat in de inleiding is geschreven dat Paulus noch het begrip noch het verschijnsel kende. Hij kende dus ook het verschijnsel niet dat mannen met mannen en vrouwen met vrouwen hun leven met elkaar willen delen op soortgelijke wijze als in een huwelijk. Vandaar dat het woord ‘homoseksualiteit’ tussen aanhalingstekens staat.

    Er zijn slechts twee korte gedeelten, waarin hij het onderwerp bespreekt:

  • Romeinen 1: 25 – 27
  • 1 Cor. 6: 9-10
  • Het laatste gedeelte is illustratief voor het eerste:

    Weet u niet dat wie onrecht doet geen deel zal hebben aan het koninkrijk van God? Vergis u niet. Ontuchtplegers noch afgodendienaars, overspeligen, schandknapen noch knapenschenders, dieven noch geldwolven, dronkaards, lasteraars noch uitbuiters zullen deel hebben aan het koninkrijk van God. (1Cor 6: 9-10)

    Het gaat dus om de woorden ‘schandknapen’ en ‘knapenschenders’, in het Grieks ‘malakoi’ en ‘arsenokoîtai’. De vertalingen in de NBV en Willibrord 1995 zijn misleidend, doordat de suggestie zo wordt gewekt dat Paulus hier de paiderastía lijkt te veroordelen, het Griekse opvoedsysteem van jonge mannen door oudere leraren, die hen opvoeden en inwijden in de geheimen van het leven. Echter beide begrippen, ‘malakoì’, zowel als ‘arsenokoîtai, verwijzen naar volwassenen. ‘Malakoì’ zijn geen schandknapen, maar ‘moreel zwakke personen’, slappelingen dus. Als men er seksuele connotaties aan geeft, komt men uit op ‘mannelijke prostituees’.
    Zo betekent ‘arsenokoîtai’ niet knapenschenders, maar letterlijk ‘zij die mannen neuken’. Beide begrippen verplaatsen ons naar de Romeinse lusthofcultuur.

    Het opvoedkundig ideaal van de paiderastía maakt in het begin van de eerste eeuw plaats voor genotzuchtige motieven, onder de elite vooral in de hofkringen. Dit riep achterdocht op bij de families van vrije burgers, zij wilden hun jongens beschermen tegen deze vorm van seksuele exploitatie.
    Tot het gewone volk drongen deze geruchten over deze praktijken waarin ‘same sex-handelingen’ voor kwamen door. Dit is de achtergrond waartegen Paulus schrijft.

    In Paulus’ rijtje van hoerenlopers afgodendienaar en overspeligen, illustreren de mannenprostituees en mannenneukers het beeld dat Paulus van de heidenen heeft.
    Dit blijkt ook uit het eerst genoemde gedeelte – uit de brief aan de Romeinen,

    Ze hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen; ze vereren en aanbidden het geschapene in plaats van de schepper, die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen. Daarom heeft God hen uitgeleverd aan onterende verlangens. De vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke, en ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met vrouwen losgelaten en zijn in hartstocht voor elkaar ontbrand. Mannen plegen ontucht met mannen; zo worden ze ervoor gestraft dat ze van God zijn afgedwaald. (Rom. 1: 25–27)

    Paulus toont in deze verzen het cultuurbeeld wat hij van de heidenen heeft. Hij heeft het over losbandigheid, over genotshandelingen van mensen, die van God los zijn. Deze mensen, van God los, worden mannenprostituees en mannenneukers. Vrouwen die van God los, ontbranden in hartstocht voor elkaar. Omdat ze van God los zijn, verliezen ze hun natuurlijke geneigdheid tot het andere geslacht. Een vreemde redenering, die veel ellende heeft aangericht.

    Volgens Paulus bestaat er een causaal verband tussen ‘de goddelijke waarheid verruilen voor de leugen’ en ‘het in lust voor elkaar ontbranden’. Omdat er niet bij vermeld staat dat het een ‘gebod van de Heer’ is, weerspiegelt dit gedeelte de persoonlijke opvattingen van Paulus zelf.

    Hiertegenover mogen we afwijkende meningen plaatsen: Wie God niet afwijst of loslaat, zal door God ook op het juiste pad gehouden worden.
    Wie God bemint en de naaste als zichzelf, voldoet aan de geboden van het christen-zijn. Homoseksuelen, die in hun relatie het welzijn van hun partner en daarin God centraal stellen, zullen noch door God, noch door Paulus worden afgewezen.

    Want Paulus wijst niet homoseksualiteit af…dat verschijnsel kende hij niet, maar respectloze geslachtsdaden, daden los van een levensrelatie. Daden vooral ook waar God niet in gekend werd.
    Respectvol is wanneer men God in de seksuele relatie een plaats geeft. Daardoor heiligt men de relatie.
    De gelegenheid om zijn of relatie met een ander te heiligen, mag men niemand onthouden. Daarvoor vindt men geen solide basis, niet in de evangeliën, in de woorden van Christus, noch in de brieven van Paulus.

    Eigen reflectie op dit artikel.

    Ik heb het artikel met interesse gelezen en het verstevigt de basis over mijn eigen denken rond dit onderwerp. Daar waar de schrijver zo stellig beweert dat het Jezus enkel gaat om God liefhebben met alles wat in je is en de naaste als jezelf, dat de overige Joodse regelgeving daarmee op de achtergrond verdwijnt, daar aarzel ik. Dat kan ik nog niet volledig beamen.
    Hetzelfde geldt voor de bewering dat Paulus brieven, zijn eigen opvattingen weerspiegelen, tenzij er vermeld wordt dat het gaat om een ‘gebod van de Heer’. Zelf denk ik het omgekeerde: Paulus meent te schrijven, wat hem door God, door Christus wordt ingegeven, tenzij hij iets uitdrukkelijk presenteert als zijnde puur zijn eigen opvatting, zoals bij voorbeeld over zijn schrijven om wel of niet te trouwen (1 Cor 7). In dit gedeelte geeft hij uitdrukkelijk aan dat het zijn eigen gedachten zijn.

    Slotopmerkingen over homoseksualiteit en de Bijbel.

    Ik heb inmiddels een aardig stevige basis ontwikkeld onder mijn eigen gedachten over homoseksualiteit binnen mijn geloofsovertuiging. Die gedachten hangen samen met mijn uitgangspunt wat betreft het gezag van de Bijbel. De Bijbel beschouw ik als neerslag van menselijke ervaring met God, een neerslag waarin ook de eigen tijd en cultuur van de Bijbelschrijvers in verweven zit. Mensen met hun eigen vanzelfsprekendheden en beperktheden. De Bijbel is geschreven door mensen, geïnspireerd door Iemand, die henzelf overstijgt. Neergeschreven en tot ontstaan gekomen door mensen, gebonden en beperkt door tijd en context.

    Dat betekent voor mij ook dat verschijnselen die onze tijd optreden met grote terughoudend dienen te worden geduid en veroordeeld op grond van de Bijbel. Dat geldt voor thema’s als euthanasie, abortus, de positie van de man en de vrouw en ook voor dit onderwerp, homoseksualiteit.
    Ik leg de Bijbel vrij gemakkelijk naast mij neer als het om dit onderwerp gaat. Omdat het daar niet gaat over relaties in liefde en trouw met iemand van het eigen geslacht. Dat lag buiten het blikveld van de Bijbelschrijvers.

    Op rationeel niveau ben ik er redelijk uit en goed in evenwicht. Toch merk ik dat ik nog steeds gemakkelijk te raken ben, als men meent homoseksualiteit en een relatie met een vrouw, in mijn geval te moeten afwijzen met Bijbelse argumenten. Dat reageer ik vanuit mijn allergie, vanuit ongeduld en irritatie.
    Een rationele onderbouwing van mijn opvatting is een verrijking voor mijzelf, maar zal een ander, die anders denkt over het gezag en de positie van de Bijbel nooit overtuigen.
    Het is al genoeg als er voldoende ruimte is om verschillend over deze zaken te denken en elkaar toch als gelovigen te accepteren en respecteren.

    Eelkje de Vries


    Gebruikte literatuur:

  • Schrift 250/jaargang 42-4 augustus 2010 Seks in de Bijbel: Uitgegeven door Gooi en Sticht/ Kok Kampen
  • Maarten den Dulk Hoe doen ze het in Leviticus. pag. 118-121.
  • P. Chatelion Counet Het Nieuwe Testament en homoseksualiteit. pag. 143-146
  • Website wil zelfdoding jonge homoseksuelen voorkomen

    Om suïcidaal gedrag onder lesbische, homo-, bi- en transgenderjongeren (LHBT-jongeren) te voorkomen is op 10 oktober de website Iedereenisanders.nl gelanceerd. De site is een initiatief van MOVISIE en COC Nederland.
    Het aantal zelfmoordpogingen onder homo- en biseksuele jongeren is vijf keer hoger dan onder heteroseksuele leeftijdsgenoten. Ook onder transgender jongeren lijkt zelfdoding veel voor te komen. Volgens onderzoeker Hanneke Felten komt dat door het gevoel anders te zijn, door zorgen over wie je het wel en wie je het niet verteld en vanwege angst voor uitsluiting, discriminatie, pesten en geweld. Zelfs de naaste volwassenen hebben vaak niet door dat ze steun nodig hebben.
    Veel LHBT-jongeren durven met hun problemen niet aan te kloppen bij de huisarts, mentor of schoolmaatschappelijk werker, omdat ze niet weten of die hun geaardheid accepteren. Via de site kunnen ze tips en informatie vinden om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen en bijvoorbeeld andere LHBT-jongeren te ontmoeten.
    Bron: MOVISIE

    http://www.iedereenisanders.nl/

    Toe aan rust, ruimte en/of een goed gesprek?

    Toe aan rust, ruimte en/of een goed gesprek? Kijk op onze vernieuwde website http://www.txdageraad.nl

    Als één van de weinigen op Texel bieden wij een vrijstaand gastenverblijf direct aan de Waddendijk, te midden van mooie, vogelrijke, natuurgebieden. Oosterend, het meest authentieke dorp van Texel, ligt op 2 kilometer afstand. In deze omgeving vol van natuurschoon en rust, bieden wij meer dan verblijf. Professionele coaching & psychosociale hulpverlening behoren tot de mogelijkheden. Daarnaast is txdageraad een plek voor mensen die op zoek zijn naar bezinning & inspiratie. Breng je graag je vakantie & vrije tijd door op Texel, weet dan dat hier een unieke plek beschikbaar is.

    Joke en Willeke
    http://www.txdageraad.nl

    Handleiding voor paradijssceptici

    De zin van een queer zondeval naar aanleiding van Genesis 3

    Door Mariecke van den Berg ( overgenomen met toestemming van uitgeverij www.skandalon.nl en de auteur)

    De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Genesis 3, 6-7

    You call some place paradise, kiss it goodbye. The Eagles

    Mijn eerste bewuste kennismaking met de boom was toen ik als eerstejaars student Engelse Taal en Cultuur tijdens een college over het gedicht The Tyger van William Blake in een intensieve discussie verzeilde met de docent. Inzet was de herkomst van het kwaad. In een soort Socratisch tweegesprek daagde hij me uit door te dringen tot de betekenis van de volgende zin uit het gedicht: ‘did He who made the lamb make thee?’  Schiep de schepper zowel de tijger als het lam, oftewel: maakte degene die het goede schiep ook het kwaad? We kwamen uiteindelijk uit bij de eerste keer dat het kwaad in de Bijbel genoemd wordt: de boom vankennis van goed en kwaad. En wie, zo vroeg de docent met iets van een tevreden glimlach, had die boom uiteindelijk geplant?

    Ik wilde niet te makkelijk opgeven(eerder die week was bij het vak fonetiek al de Toren van Babel gesneuveld, een mens kan maar zoveel verdragen) en kwam met het welbekende argument dat dieboom de vrije keus van de mens waarborgt voor het goede of het slechte, voor God of tegen God. Maar erg overtuigd klonk het al niet meer en zou het ook laterniet meer klinken. Boom en toren hadden een eerste, belangrijke twijfel gezaaid die de het lastig maakte om op vragen rond complexe thema’s zoals het kwaad enhet goede nog automatisch antwoorden te geven. De vraag naar de herkomst van het kwaad is voor mij desondanks een abstracte gebleven totdat ik, als lesbischlid van een Evangelische studentenvereniging en een orthodox gereformeerde kerk, steeds meer reden kreeg om juist het goede te bevragen – of wat daar voor door ging. De boom zou een centrale rol gaan spelen in mijn pogingen om wat ik als tegenstrijdigheden in mijn leven ervoer (christelijk, lesbisch en feministzijn) bij elkaar te brengen, in de hoop dat het leven dat ik leef de potentie heeft een goed leven te zijn.In dit hoofdstuk wil ik om te beginnen graag vertellen hoe ik met deze vragen bezig ben geweest.

    Ik ga eerst in op de context van conservatief christelijkeopvattingen waarbinnen mijn vragen spelen en de consequenties daarvan voor christelijke queers. Daarna maak ik een korte uitstap naar een roman die de spagaat tussen “traditie en queerness” op prachtige wijze heeft verwoord en mij een nieuwe kijk op de zondeval heeft verschaft. Daarna wil ik in een tweetal punten dieper ingaan op het beeld van het eten van de verboden vrucht. Want hoewel de boom van kennis van goed en kwaad en de verboden vruchten die er aan hangen slechts een marginale rol spelen in de conservatieve afwijzing van homoseksualiteit waar ik mee te maken kreeg, kunnen boom en vrucht een centraal symbool worden in de queer lezing van Genesis. Op verschillende wijzen zal worden beargumenteerd dat het beeld van het eten van de verboden vrucht voor queers nietals het begin van hun ‘afwijkende seksualiteit’ hoeft te gelden, maar door hen juist begrepen kan worden als een bevrijdende daad die het mogelijk maakt omafstand te nemen van een benauwende, heteronormatieve interpretatie van Genesis. Zo wordt de zondeval in de eerste plaats gelezen als de daad die kenmerkend is voor een gezonde twijfel aan het hetero-ideaal. Vervolgens wordt deze twijfel als opstap gezien voor groei en waardering van veranderlijkheid en diversiteit.

    Wat zoeken Queers nog in de Hof van Eden? Wanneer ‘het goede’ betrekking heeft op relaties wil het, in de orthodox christelijke traditie waar ik mij als student toe rekende, zeggen dat men inzet op een huwelijk tussen man en vrouw waarin zij elkaar trouw blijven tot de dood hen scheidt en waarin zij het liefst ook kinderen krijgen. Genesis speelt in dit verhaal een belangrijke rol. Het scheppingsverhaal wordt namelijk, zo vond de feministisch theologe Rosemary Radford Ruether (1992) al, niet zelden gezien als een blauwdruk voor de structuren van familieleven en maatschappij. Zo wordt Genesis 2,24 gelezen als de instelling van het heterohuwelijk (‘zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw …’), en Genesis 1,28 als opdracht tot voortplanting (‘wees vruchtbaar en word talrijk… ‘).

    Verder concludeerde de apostel Paulus in het Nieuwe Testament dat uit het feit dat Eva later geschapen werd dan Adam, de vrouw hiërarchisch onder de man stond en hem diende te gehoorzamen (bijvoorbeeld in 1 Cor. 11). De blauwdruk, of scheppingsorde zoals hierboven beschreven, botste fundamenteel met de verwachtingen die ik had over mijn eigen levensloop. Daarin speelde een meisje dat ik niet (altijd) hoefde te gehoorzamen en waarmee ik waarschijnlijk geen kinderen zou krijgen een hoofdrol. Dit verlangen werd in de kerk en op de studentenvereniging niet zelden “een stukje gebrokenheid” genoemd. Het is het orthodoxe adagium dat homoseksualiteit buiten de scheppingsorde plaats als iets ‘van na de zondeval’. Homoseksuele verlangens waren er oorspronkelijk niet, maar ontstonden pas op het moment dat de mens van de verboden vrucht at: de zondeval.

    Het “stukje gebrokenheid” vertegenwoordigt een zekere consensus die men binnen het conservatief christendom heeft weten te bereiken over de herkomst van homoseksualiteit en het is tot op heden onbeperkt houdbaar gebleken. Het idee van homoseksualiteit als verstoorde vorm van verlangen als gevolg van de zondeval is, met andere woorden, een krachtig beeld voor wie wil erkennen dat het bestaat maar geen deel uitmaakt van het door God bedoelde oerbegin en daarmee in principe ‘goed’ zou kunnen zijn. Later zou ik voor mijn scriptie andere lesbische vrouwen uit de orthodoxe traditie interviewen en één van hen verwoordde het ongeveer als volgt: ‘Al die teksten over tempelprostitutie en knaapschenderij, dat geloof ik wel, dat is cultuurgebonden. Maar als ze over Genesis beginnen, over “man en vrouw schiep hij hen” en zo, dan hebben ze me, dan weet ik niet meer wat ik moet zeggen.’

    Van het Genesisverhaal gaat kracht uit, juist omdat het niet zozeer gaat over de vele specifieke dingen en dingetjes die slecht, kwaad en verboden zijn, maar over het overrompelend simpel gedefinieerde goede, juiste en gebodene. Trouwen en kinderen krijgen: de eerste opdracht aan de mens is niet ingewikkeld. Als je daar niet eens aan wilt voldoen, wat zoek je dan nog in de Hof van Eden? Het verdriet van Genesis voor queers is dat het zo overweldigend het universeel goede van een bepaalde heterolevensstijl lijkt te poneren dat je het woord ‘cultuurgebonden’ hoogstens nog met een benepen piepstemmetje over je lippen krijgt. Wie niet wil, hoeft nooit van het argument van de scheppingsorde af te stappen.

    Je dit realiseren als christelijke queer is nogal even slikken, want een vlugge blik in de media of in je eigen leven doet je al snel begrijpen dat er een behoorlijke groep mensen is bij wie inderdaad de wil ontbreekt om het universele heteronormatieve van Genesis ter discussie te stellen. Omdat het scheppingsverhaal in Genesis als oerbegin geldt voor het verhaal van de joods-christelijke traditie en daarmee je eigen ingang tot deze traditie vertegenwoordigt, kan het voelen als een deur die in je gezicht dichtslaat wanneer je beseft dat je aan deze voorwaarde voor het goede leven niet kunt of wilt voldoen. Een queer lezing van de zondeval zet brutaal een voet tussen die deur. Het is een wig die een zoektocht mogelijk maakt naar de betekenis die de christelijke traditie en in het bijzonder het verhaal van de zondeval kan hebben voor de ervaringen van queers.

    De vrucht als startschot voor de coming-out In de (semiautobiografische) roman Sinaasappels en Demonen (Oranges are not the only fruit) van de Britse schrijfster Jeanette Winterson ontworstelt het meisje Jeanette, de lesbische hoofdpersoon van het verhaal, zich aan haar fundamentalistische, evangelische achtergrond om voor zichzelf een nieuw leven te beginnen. Het verhaal beschrijft voornamelijk de “Exodus” van de hoofdpersoon die een ander leven nastreeft dan binnen haar kerk mogelijk is. Wanneer ze merkt dat haar liefde voor haar vriendin bij haar geloofsgenoten, en dan met name haar zeer gedreven evangeliserende moeder, nooit geaccepteerd zal worden neemt zij afscheid van de traditie waarmee zij bekend is. Ze verlaat het dorpje waar ze opgroeide om in Londen een nieuw leven te beginnen.

    Winterson grijpt voor de symboliek die dit afscheid omschrijft terug op Genesis, op het beeld van de verboden vrucht: ‘Van de vrucht eten betekent de tuin verlaten omdat de vrucht van andere dingen spreekt, andere verlangens. Dus tegen de schemering zeg je de plek die je liefhebt vaarwel, zonder te weten of je ooit terug zult komen, wetend dat je nooit terug kunt komen via dezelfde weg.´  In Wintersons omschrijving wordt het eten van de verboden vrucht uit de context van zonde gehaald. Het krijgt een andere betekenis, namelijk die van het besef dat de tijd van afscheid nemen komt op het moment dat je je realiseert dat je meer ruimte nodig hebt. Door het citaat heen hoor je bijna letterlijk het gefluister van de vrucht die blijft vertellen over andere (niet: zondige) dingen en verlangens ‘daar buiten’. De weemoed die in de woorden zit laat je voelen dat dit afscheid iets dubbels heeft. Je hebt een ideaal, dat van het paradijs, op moeten geven en hoewel er met je vertrek ruimte ontstaat om op onderzoek uit te gaan naar datgene wat je trekt, weet je nog niet wat je er voor terug zult krijgen.

    Hiermee krijgt de boom van kennis van goed en kwaad een fundamenteel andere betekenis. De boom komt centraal te staan, niet in het drama van de val van de mens, maar eerder als startpunt van de mogelijkheden van een reisroman. In de hoedanigheid van eyeopener voor wie verder wil kijken biedt de boom verschillende ingangen voor een queer blik op de zondeval. Belangrijke thema’s en inzichten uit de queer theorie komen namelijk samen in het beeld van de verboden vrucht als startschot voor de coming-out, zoals deze bij Winterson te vinden is, en de gevolgen ervan voor de interpretatie van de zondeval. Boeken als die van Winterson gaan over paradijssceptici: mensen die het ideaal van het paradijs achter zich hebben gelaten, maar die na hun vertrek blijven nadenken over hoe een ideale samenleving er dan wèl uit zou moeten zien. Dat doen ze door de lastige vragen te stellen die de mooie elementen uit het paradijsverhaal weten te behouden maar de kwalijke elementen weten te filteren.

    Dit houdt echter wel in dat men een stuk bekendheid en vertrouwdheid opgeeft. Hieronder komen twee elementen aan bod die met dit proces van bewustwording te maken hebben. Het eerste is dat van de twijfel aan het ideaal. Het tweede is dat van de noodzaak van die twijfel om het ideaal dan ook daadwerkelijk vaarwel te kunnen zeggen: het proces dat je coming-out zou kunnen noemen. Coming-out is waarschijnlijk voor iedereen anders, maar het kenmerkt zich door ontwikkeling, een zich verruimende blik en toekomstgericht denken. Zowel het verdrietige als het bevrijdende element van twijfel en afscheid komen terug in Wintersons roman en in het verhaal van de zondeval. Het is denk ik de meest eerlijke manier om naar het proces van coming-out te kijken en tegelijkertijd de meest hoopvolle, omdat het gekenmerkt wordt door het motief van het verder willen trekken om  nieuwe dingen te ontdekken.

    Geen zonde maar gezonde twijfel

    Wanneer Eva de slang vertelt wat ze weet over de boom van kennis van goed en kwaad leren we uit een terloopse opmerking dat deze niet ergens achteraf staat, maar pontificaal midden in de tuin (Gen. 3,3). Die centrale positie, die hier even tussen neus en lippen door genoemd wordt, is belangrijk voor de rol die de boom speelt in het verhaal. Je ziet voor je hoe Eva en Adam argeloos wandelingen willen blijven maken en verder niet willen nadenken, maar er altijd weer bij uitkomen. Die boom heeft iets van de hardnekkigheid van het centrale plein van een middeleeuws stadje: niet te missen. Vanuit het perspectief van queer theorie zou je kunnen zeggen dat de boom in het verhaal de functie heeft van een altijd al aanwezige twijfelmogelijkheid aan het ideaalplaatje die niet te ontkennen, hoogstens te onderdrukken is. Het paradijs bestaat bij gratie van je loyaliteit en die loyaliteit kan weer alleen bestaan wanneer je je afwendt van datgene wat het ideaal bedreigt, of dit zelfs bestrijdt.

    Zo is binnen sommige christelijke tradities de Hof van Eden gebruikt om de traditie en de kerk ‘zuiver’ te houden van bedreigende elementen zoals homo’s, lesbiennes, transgenders en anderen die niet kunnen of willen voldoen aan de heteronorm. Het beeld van de verboden vrucht helpt om het paradijs als het ware te ontmaskeren als een soort exclusief vakantieoord voor hetero’s, dat in feite een ideologisch construct blijkt waar een prijs aan kleeft. Het is een ideaal waar je in kunt geloven en investeren, maar niet zonder dat je steeds weer (net als Jeanette in Sinaasappels en Demonen) uitkomt bij de vraag wat er nog meer is, wat je misschien over het hoofd ziet – en wie of wat je misschien hebt moeten uitsluiten om je verhaal over dat paradijs sluitend te laten zijn zodat je er over na kunt blijven denken als een veilige, besloten en goed geordende haven aan het oerbegin van de mensheid.

    De theologe Catherine Keller, ook paradijsscepticus, laat in haar boek Face of the Deep zien hoe dit investeren in het paradijsideaal de gehele christelijke traditie heeft doorgewerkt. Bij Keller is het niet de zondeval waar het paradijsideaal begint te schudden: al op een veel vroeger moment in de tekst vindt zij aanleiding dit ideaal te bevragen. Zo betoogt Keller dat de wens om het paradijsverhaal kloppend te laten zijn met het dogma van Gods almacht geleid heeft tot een eenzijdige lezing van het eerste vers van het scheppingsverhaal, het vers waarin de geest van God over de wateren zweeft en de aarde woest en ledig is.

    Keller is het niet eens met de kerkvaders die zich vooral gericht hebben op een schepping uit het niets (ex nihilo), omdat zij zich niet konden voorstellen dat een God die alles kan niet ook zijn beginmateriaal zou hebben geschapen. God, zo vindt zij echter, had te maken met de oervloed die er al was. Het punt dat Keller hierbij wil maken heeft niets van doen met een poging ruimte te maken voor evolutie. Zij is veel meer geïnteresseerd in het chaotische, onordelijke element van de oervloed en de redenen die men had deze oervloed gemakkelijk weg te stoppen in een ordelijk relaas over ons begin. Het maakt nogal wat uit of je aan de grondslag van het bestaan een almachtige, orde scheppende God stelt of het beeld van een diepe, onpeilbare watervloed waar nog van alles uit voort kan komen.

    Keller prefereert de onpeilbare diepte van het water en daarmee een onzeker, in feite knoeierig begin. Want wanneer je op die manier naar de schepping kijkt zoek je niet langer naar een scheppingsorde waarin God een tweedeling schiep (licht tegenover duister, land tegenover water, mens tegenover dier) en voorbeide kanten van die tweedeling een positieve en negatieve betekenis in gedachten had. Je verruilt die orde voor het inzicht dat ook het allereerste begin gekenmerkt werd door onduidelijkheid, mogelijkheden die openliggen, en een wereld die niet noodzakelijk uit tweedelingen bestaat. Want het resultaat van die orde en tweedelingen is volgens Keller dat sommige groepen naar de marges zijn verdreven: vrouwen, mensen met een donkere huidskleur, homoseksuelen.

    Een positieve kijk op de oervloed als onordelijk begin levert dan ook een andere kijk op homoseksualiteit: al bij Paulus kun je je afvragen op welke ‘natuurlijke omgang’ hij zich eigenlijk beroept die lesbische vrouwen volgens hem in Romeinen 1,26 verruild hebben voor een tegennatuurlijke omgang. Op zo’n natuurlijke omgang, op vanzelfsprekend en op de scheppingsorde berustend heteroseksueel verlangen kun je je dan niet zomaar beroepen. Zo’n scheppingsorde, meent Keller, kan op grond van de Bijbeltekst niet verondersteld worden.

    In navolging van Kellers betoog krijgt de symboliek van het eten van de verboden vrucht symbool een nog diepere lading. Niet alleen betekent het dat je toegeeft aan het verlangen verder te kijken dan het paradijsverhaal. Je kijkt nog eens scherp en ziet dat het paradijsverhaal meer mogelijkheden biedt dan de dualistische orde waarin queers altijd het onderspit zullen delven. Het fluisteren van Wintersons vrucht valt samen met het ruisen van de oervloed, en de boodschap is hetzelfde: het verhaal van ons begin moet opnieuw verteld worden, juist door mensen die er in de traditie uit weg verklaard zijn. Daarom is het maar goed dat daar de boom is, en gelukkig staat deze midden in de tuin. Dat het Adam en Eva niet gelukt is er van af te blijven, is niet verwonderlijk wanneer die boom zo recht voor hun neus geplant is. Het was nooit de bedoeling dat we in het paradijs zouden blijven. Ook niet dat we er zouden terugkeren trouwens: niet voor niets worden er, nadat Adam en Eva uit het paradijs gejaagd zijn, wachters aangesteld met vlammende zwaarden die de toegang totde hof (eigenlijk: de levensboom) bewaken (Gen. 3,24). Wanneer ik op die manier aan de boom denk, voel ik iets van de tevreden glimlach van mijn docent Engelse literatuur. Deze boom midden in de tuin is een gestaag groeiende escape uit een bestaan dat van krampachtig vastgehouden zekerheden aan elkaar zou hebben gehangen. Dit is een belangrijke boodschap voor alle lezers van Genesis, niet alleen queers die zich een weg willen banen uit de benauwende heteronormatieve interpretatie.

    Geen zonde maar ontwikkeling

    Eerder al zijn velen aan de slag gegaan met soortgelijke alternatieve interpretaties van de zondeval, waarin de tragiek van de zonde ingewisseld wordt voor een positieve waardering van het eten van de verboden vrucht. Vanuit feministische theologie zijn er vele pogingen ondernomen om met een dergelijke interpretatie de positie van Eva in de christelijke traditie te verbeteren en daarmee het verband tussen ‘de vrouw’ en ‘het kwaad’ teniet te doen.

    ‘Bewustwording’ speelt daarin niet zelden een belangrijke rol. Zo is er het groeimodel, dat er van uit gaat dat het eten van de verboden vrucht niet zozeerzondig was als wel een noodzakelijke persoonlijke ontwikkeling. Hierdoor raakt de mens niet verwijderd van God, maar kan juist een volwassen relatie met God aangaan.  De zondeval is dan een soort overgangsritueel waarin Eva vervolgens een zeer actieve, positieve rol op zich neemt.

    Mary Daly, die de basis heeft gelegd van veel feministische theologie, zag het eten van de verboden vrucht als een kans voor vrouwen om kennis te verweven van de patriarchale samenleving. Daarnaast zag ze het ook als een kans om met de kennis van goed en kwaad om te kunnen gaan zonder de schuld op een ander te schuiven, zoals Adam deed (Gen 3,12). Belangrijk is in ieder geval op te merken dat het eten van de vrucht hier niet symbool staat voor het zondigen tegen God, maar voor het bewust achter je laten van een staat van onschuld. Je zou het ook anders kunnen stellen: met het eten van de vrucht neem je afscheid van bepaalde denkbeelden, juist doordat je er inzicht in hebt gekregen.

    Anne-Marie Korte meent dat het verhaal van de schepping en de zondeval (het verhaal van Eva) vooral gaat over de ´existentiële factoren´ waar de eerste mensen later in het verhaal mee te maken krijgen, zoals hun lichamelijkheid (barenspijn voor vrouwen, Gen. 3,16), hun afhankelijkheid van de natuurlijke omgeving (het zwoegen voor eten voor mannen, Gen. 3,17) en de wijze waarop zij daar mee omgaan.  Voor queers, maar niet alleen voor hen, zouden deze ´existentiële factoren´ nog specifieker kunnen worden ingevuld in gebeurtenissen en inzichten waar veel van hen in de loop van hun leven mee te maken krijgen. Met name voor christelijke queers spelen factoren als afwijzing en uitsluiting uit de gemeenschap vaak een rol.

    Het antwoord dat hierop door de jaren heen vanuit de homogemeenschap en de homotheologie geformuleerd is heeft echter vaak juist niet met groei temaken gehad. Het antwoord op een statisch heteronormatief wereldbeeld is vaak een voorstelling van de homoseksuele identiteit als evenzeer onveranderlijkgeweest. Het beroep op een onveranderlijke homo-identiteit heeft dan de functie van een appèl op de gemeenschap om iemand toch te accepteren ´zoals hij of zijis´. Het identiteitsargument vind je binnen de christelijke traditie, maar ook de seculiere ´homolobby´ berust voor een belangrijk deel op deze algemeengeaccepteerde aanname.

    Toch is het, hoewel een krachtig argument, niet ongevaarlijk om op die manier een plek onder de zon op te eisen. Je maakt dan namelijk gebruik van dezelfdemethode als de paradijsconstructie, door met een beroep op een onveranderlijke oorsprong te claimen dat iets juist of goed is. Of die onveranderlijkheidbiologisch of neurologisch juist is, doet eigenlijk niet ter zake. Feit is, dat er tussen homo en hetero een scala aan seksuele identiteiten en activiteiten zijn die maar weinig geholpen zijn met een beroep op homoseksualiteit als gegeven identiteit. Seksualiteit is geen continuüm met aan de ene kant de hetero’sen aan de andere de homo’s. Wanneer je daar in meegaat ben je weer terug bij het dualistische denken van de kerkvaders waar Keller zich tegen verzet.

    Queertheorie erkent dat heteroseksualiteit in vele vormen bestaat, evenals homoseksualiteit. In de queer theorie zoekt men naar mogelijkheden om identiteit niet als gefixeerd maar als veranderlijk te zien, zodat er ruimte ontstaat voor hen die door gevestigde categorieën steeds weer buitengesloten worden wanneer weblijven denken in tweedelingen, hoe hard we ook de ondergewaardeerde kant van die tweedeling proberen op te waarderen. Zoals queer theoretica Tiina Rosenberghet uitdrukt: ‘In zekere zin is het meest onveranderlijke in de menselijke identiteit de verandering zelf, en het menselijk onvermogen om op die veranderlijkheid te reflecteren. Een statische identiteitsopvatting schept weliswaar zekerheid, maar vereenvoudigt tegelijkertijd een complexe menselijkeervaring’.Je zou kunnen zeggen dat Winterson’s positieve waardering van de verboden vrucht hierover gaat: het durven reflecteren op de veranderlijkheid van de menselijke identiteit en daarmee automatisch het bevragen van de vanzelfsprekendheid van de heteroseksuele identiteit.

    Winterson, en ook Rosenberg, moedigen het opgeven van de zekerheid over je eigen identiteit juist aan, ook als daar een pijnlijke “zondeval” aan vooraf moet gaan waarin je het verlies van zekerheid accepteert. Dat is de noodzakelijke “collateral damage” van de groeipijn. Wat deze opvatting van de zondeval vooral duidelijk maakt, is dat “queer”zijn niet zozeer een identiteit maar een houding betreft: queer bén je niet zozeer, je dóet het door steeds opnieuw de lastige vragen te stellen. Wanneer je hiermee op zou houden zodra je voor jezelf acceptatie hebt gevonden creëer je opnieuw een paradijs, maar wat je dan doet is het zwitserlevengevoel van het heteroparadijs inwisselen voor het veilige comfort van een gay resort.

    De zondeval, met andere woorden, kan symbool staan voor de periode van de coming-out maar heeft als symbool voor een religieuze queer levenshouding een nog diepere en veel langdurigere betekenis wanneer je het eten van de vrucht opvat als eenlevenslange taak om paradijsscepticus te zijn. Wanneer op bovenstaande manier geïnterpreteerd kan, ten slotte, het opeisen van de zondeval voor queer doeleinden een beeld zijn voor de paradigmaverschuiving die ‘afwijkende’ seksualiteit uit de sfeer van zonde trekt en deze juist als startpunt neemt voor een levenshouding waarin toewijding aan twijfel en de waardering van verandering een belangrijke rol spelen. Zo’n actie past in de geschiedenis van de queer beweging als een beweging waarin activisme een belangrijke rol speelt. Het woord “queer” zelf is immers ooit van een scheldwoord door homo’s, lesbiennes en transgenders omgevormd tot een eigennaam en politiek statement. In die strategie kan iets schokkends zitten. Een christelijke gemeenplaats als de zondeval als iets positiefs en nastrevenswaardigs beschouwen, kan voor sommigen best confronterend zijn. Dat schokkende element heeft vanaf het begin de queer beweging gekenmerkt. In de inleiding had ik het al over een brutale voet tussen de deur: queer cultiveert het ongemakkelijke gevoel dat ontstaat wanneer op te duidelijke wijze de heteronorm bevraagd wordt.

    Dit gevoel ontstaat echter niet zozeer doordat queers zo afwijkend zouden zijn, maar doordat zij herinneren aan het feit dat ook heteroseksualiteit een ideaal is waarin steeds op nieuw geïnvesteerd moet worden. Dit ongemakkelijke wordt veroorzaakt niet doordat queers het bedenken, maar doordat zij een felle lamp zetten op verborgen elementen in gangbare verhalen die men maar liever vergeet. De boom is zo’n element: hij staat daar in de Hof van Eden als de altijd al aanwezige stoorzender in het sluitende verhaal van de scheppingsorde. De paradijsscepticus leert te glimlachen om die stoorzender en te vragen: “schiep hij die het lam schiep ook jou?” Om vervolgens met een kus afscheid te nemen.

    Literatuur Keller, Catherine, Face of the deep. A theology of becoming, Londen/New York: Routledge 2002.

    Korte, Anne-Marie, ‘Vallen en opstaan in het paradijsverhaal. Genesis 2-4 in feministisch theologisch perspectief’ in H. Goris en S. Hennecke (red.), Adam en

    Eva in het Paradijs. Actuele visies op man en vrouw uit 2000 jaar christelijke theologie, Zoetermeer: Meinema 2005, 167-182.

    Radford Ruether, Rosemary, Gaia & God. An ecofeminist theology of healing, Londen: SCM Press 1992.

    Rosenberg, Tiina, Queerfeministisk agenda, Stockholm: Atlas Akademi 2002.

    Artikel overgenomen met toestemming van uitgeverij Skandalon http://www.skandalon.nl en auteur Mariecke van den Berg

    Valkuilen in het kerkelijk gesprek over homoseksualiteit

    Antwoorden op de verkeerde vraag.
    Valkuilen in het kerkelijk gesprek over
    homoseksualiteit.

    Met toestemming van de schrijver en de uitgeverij overgenomen:

    © R.Ruard Ganzevoort

    Verschenen in: Ad de Bruijne (redactie) Open en kwetsbaar. Christelijk
    debat over homoseksualiteit. Barneveld: De Vuurbaak, 45-55.

    Uitgeverij: De Vuurbaak, Barneveld

    Het gesprek over homoseksualiteit binnen de orthodox-protestantse gezindte
    is in de afgelopen jaren in een stroomversnelling gekomen. Dat maakt deze
    bundel en de studiedag die er de basis van vormde, bij voorbaat belangrijk. Ze
    gaan echter – zo is mijn stelling – over de verkeerde vraag. Dat zal ik in mijn
    bijdrage uitwerken, waarbij ik inga op de taak en rol van de ethiek, de visie op
    de kerk, en de mogelijkheden voor ware dialoog.

    1. Waar komen onze vragen vandaan?
    Het ligt in de gereformeerde traditie voor de hand om bij homoseksualiteit
    vooral te vragen naar Bijbelse richtlijnen. Meer concreet gaat het dan om de
    vraag hoe homoseksuele gemeenteleden hun leven dienen in te richten en
    welke plaats ze wel en niet in de gemeente kunnen innemen. Mogen homo’s
    bijvoorbeeld aan het avondmaal als ze leven in een homoseksuele relatie?
    Mogen twee lesbische moeders hun kind laten dopen? Mogen ze een taak op
    zich nemen in de kerk, of ambtsdrager worden?

    Het zijn vragen die velen in de kerk bezighouden en die vaak verhitte
    gesprekken oproepen. Maar zijn het wel de juiste vragen? Het is op zijn minst
    opmerkelijk dat homoseksualiteit in de kerk gezien wordt als zo’n
    fundamenteel probleem. Het gaat immers slechts om een beperkt aantal
    mensen en ook de Bijbel besteedt er nauwelijks aandacht aan. Los van de
    vraag hoe bepaalde Bijbelteksten moeten worden uitgelegd, ze zinken in het
    niet bij de talloze teksten over armoede en onrecht die principiële vragen
    moeten oproepen bij de levensstijl van zo ongeveer alle christenen in het
    Westen. Waarom is het thema homoseksualiteit dan voor kerken zo belangrijk
    dat ze zich erop profileren of zelfs – zoals in de Anglicaanse kerk – dreigen te
    scheuren op een verschil van inzicht?

    Ik wil daarmee niets afdoen van de inhoudelijke vragen. Die zijn er. Ze gaan
    over de status en de uitleg van de Bijbel, over onze visie op menselijke
    seksualiteit en relaties, over ambt en sacramenten, over de
    verantwoordelijkheid van de kerk voor het leven van haar leden, enzovoorts.
    Stuk voor stuk gewichtige vragen die de moeite van een theologische
    bezinning meer dan waard zijn. Maar precies in die vragen komen we verder
    als we ons eerst bezinnen of we wel de juiste vraag op tafel hebben. Alleen zo
    kunnen we immers helder krijgen of we de vragen in het juiste perspectief
    benaderen.

    Wie daar dan even bij stilstaat, kan er niet omheen dat het allemaal wat
    complexer ligt dan dat we zomaar kunnen toepassen wat de Bijbel zegt. Het
    woord ‘homoseksualiteit’ komt in de Bijbel niet voor (afgezien van een enkele
    tendentieuze vertaling). Dat roept op zijn minst de vraag op of de vaak
    genoemde teksten wel over hetzelfde gaan. Er zijn zeker teksten die spreken
    over seksueel contact tussen twee mannen (over vrouwen spreekt alleen
    Romeinen 1), maar homoseksualiteit is – net als heteroseksualiteit – niet
    alleen maar een kwestie van seksueel gedrag, maar van een gerichtheid van de
    hele persoon. Over homoseksuele relaties lezen we in de Bijbel eigenlijk niets,
    al zijn er wel teksten die volgens sommige exegeten suggereren dat ze
    bestonden en ook niet per se negatief beoordeeld werden. Ook daar zien we
    echter niet de moderne gestalte van een gelijkwaardige liefdesrelatie. Dat
    hoeft niet te verbazen.

    Ook het moderne heterohuwelijk komt in de Bijbel
    immers niet voor en wel om de simpele reden dat de vormgeving van relaties
    door de eeuwen en culturen heen steeds fundamenteel veranderd is. De
    gelijkwaardigheid van man en vrouw in het huwelijk (of in de samenleving)
    komen we bijvoorbeeld in Bijbelse tijden nauwelijks tegen. Vandaag de dag
    heerst het idee dat diep gevoelde liefde de basis is voor het huwelijk en dat
    men vervolgens binnen dat huwelijk alles met elkaar moet delen. Dat staat ver
    af van de vaak gearrangeerde huwelijken van toen, waarbij man en vrouw
    samen deel uitmaakten van de grotere familie en zowel praktisch als
    emotioneel veel minder op elkaar waren aangewezen.

    Dergelijke verschuivingen op het terrein van liefde, seksualiteit en relaties
    spelen een grote rol, ook in de discussie over homoseksualiteit. Dat maakt het
    moeilijk om zomaar geïsoleerde teksten toe te passen. Bij al onze
    interpretaties van Bijbelteksten kunnen we niet om het feit heen dat zowel
    wijzelf als de Bijbelteksten in een bepaalde tijd en cultuur gelokaliseerd zijn.
    Bij talloze onderwerpen erkennen we dat zonder veel moeite, maar op de een
    of andere manier lijkt dat bij homoseksualiteit ingewikkelder.

    Het is dan ook goed om hier stil te staan bij de veranderingen die in de cultuur
    en in het verlengde daarvan ook in de kerk zijn opgetreden, zeker waar het
    gaat over homoseksualiteit. Hoewel er alle eeuwen door mensen zijn geweest
    die vooral gericht waren op het eigen geslacht, is de betekenis daarvan heel
    erg verschoven. Traditioneel werd het vooral als zonde gezien, of in het
    maatschappelijk verkeer als misdaad. Dat hing nauw samen met een
    perspectief waarin de maatschappelijke structuren van gezins- en
    familieverbanden vooropstonden. In deze verbanden bestonden duidelijke
    hiërarchische patronen waarbij mannen meer macht hadden dan vrouwen,
    ouders meer macht dan kinderen, vrije mensen boven knechten, enzovoorts.
    Voortplanting en seksualiteit zijn in dit perspectief direct met elkaar
    verbonden en elke vorm van seksualiteit die niet op voortplanting gericht is, is
    dan ook verdacht. Seksualiteit buiten het huwelijk is verboden, omdat het
    deze maatschappelijke structuren ondermijnt. Dat geldt nog meer voor
    homoseksualiteit.

    In de laatste anderhalve eeuw is in de westerse samenleving dit moreeljuridische
    perspectief losgelaten en vervangen door een medischtherapeutisch
    perspectief. Dat wil zeggen dat homoseksualiteit nu meer
    gezien werd als een psychologische afwijking of ziekte. Men ging uitgebreid op
    zoek naar verklaringen voor het ontstaan van homoseksualiteit en
    ontwikkelde ook methoden om ervan af te komen. Castratie, electroshocks en
    ‘gezonde mannelijke bezigheden’ als sport werden gezien als middelen om een
    scheefgegroeide seksuele ontwikkeling te helpen herstellen.

    De christelijke variant ervan werd door psychiaters als Van den Aardweg1 uitgedragen. Ook
    ethicus Douma sprak over homofilie als “psychische stoornis”.2 Tot de dag van
    vandaag leeft dit idee bij christelijke organisaties als Different en de
    volgelingen van Leanne Payne.3 Men betwist met zoveel woorden dat
    homoseksualiteit een natuurlijke variant is en zoekt vooral naar mogelijke
    psychische oorzaken zoals de relatie met de ouders of ervaringen van seksueel
    misbruik. Het woord ‘ziekte’ of ‘handicap’ wordt daarbij vaak vermeden, maar
    de manier van denken past nog precies in dit therapeutische perspectief.

    In onze samenleving is momenteel het dominante perspectief dat
    homoseksualiteit een variant is die bij mensen net zo voorkomt als bij allerlei
    diersoorten. Er zijn diverse theorieën over het ontstaan, maar zeker lijkt in elk
    geval dat de seksuele gerichtheid in elk geval op jonge leeftijd bepaald wordt
    en niet makkelijk veranderd kan worden. Daarover schrijft Glas elders in deze
    bundel.

    Dit perspectief leidt ertoe dat in de samenleving homoseksualiteit
    steeds meer gezien wordt als een persoonskenmerk en dat om die reden
    homoseksuele burgers moeten worden beschermd tegen discriminatie.
    Hoewel er binnen orthodox-christelijke groepen volop discussie is over de
    vraag of homoseksueel gedrag moreel aanvaardbaar is, klinkt wel steeds
    duidelijker de roep om een respectvolle en zorgvuldige omgang.
    Het besef leeft breed dat er nu eenmaal homoseksuele gemeenteleden zijn en dat die als
    medegelovige moeten worden aanvaard. Het onderscheid dat Douma en
    anderen maakten tussen ‘zijn’ en ‘doen’ heeft een belangrijke rol gespeeld in
    dat proces. Daarmee bewegen de kerken – langzaam maar zeker – mee met de
    culturele ontwikkelingen.

    2. Ethische discussies
    Dat roept de vraag op of de ethische discussies over homoseksualiteit niet een
    achterhoedegevecht zijn. Als er inderdaad een onmiskenbare beweging is in
    de richting naar meer tolerantie, doen dan debatten over Bijbeluitleg en
    moraal er nog wel toe? Ik zou zeggen van wel. Niet alleen omdat het de strijd
    is die er nu eenmaal is, maar ook omdat het wel degelijk gaat over
    fundamentele zaken als het gezag van de Bijbel en de aard van onze ethische
    afwegingen. En in die gesprekken gaat het ook over de vraag hoe de kerk zich
    verhoudt tot de samenleving. Er is voor de kerk juist in deze ethische debatten
    veel te leren.

    Dat begint dan echter wel met een wat andere vraag dan in dit soort
    gesprekken gebruikelijk is. De allereerste vraag zou moeten zijn wat het
    betekent voor mensen dat zij het object zijn van onze ethische discussies.
    Uiteindelijk gaat het in de ethiek niet over abstracte thema’s, maar over de
    vraag hoe concrete mensen kunnen leven en hoe zij zich kunnen
    verantwoorden voor God en hun eigen geweten. Maar als het over concrete
    mensen gaat, dan is het des te meer van belang ons af te vragen wat onze
    ethische discussies voor deze concrete mensen tot gevolg heeft.

    Het kerkelijk gesprek over homoseksualiteit zit vaak klem tussen de
    samenleving waarin het niet-discrimineren de centrale norm is, de traditie
    waarin homoseksualiteit werd afgewezen, en de pastorale
    verantwoordelijkheid voor homoseksuele gemeenteleden. Hoe meer daarin
    het debat wordt gezocht met de maatschappelijke visie op homoseksualiteit,
    des te meer komt die pastorale verantwoordelijkheid onder druk te staan. Zo
    vertelt een jongeman (21) uit een reformatorische kerk: “Bij ons wordt in de
    preek vaak gezegd hoe slecht de wereld is. En vaak wordt dan ook wel als
    voorbeeld homoseksualiteit gebruikt. Ik trek me dat altijd wel aan. Kennelijk
    hoor ik bij die slechte wereld.”

    Misschien moeten we constateren dat een afwijzende visie op
    homoseksualiteit een sjibbolet of identity marker is geworden voor het
    orthodox-protestantisme. Daarmee bedoel ik dat het steeds meer functioneert
    als een herkenningspunt voor een orthodox, Bijbelgetrouw denken. Het gevolg
    daarvan is dat de kerk in de samenleving vooral negatieve reacties krijgt. Dat
    blijkt bijvoorbeeld bij de discussie over ‘weigerambtenaren’ en het ontslag van
    homoseksuele docenten in het christelijk onderwijs.

    Zelfs wie op deze punten de klassieke gereformeerde visie wil verdedigen, zou zich toch moeten
    afvragen of dit nu het aangewezen onderwerp is om zich op te profileren. Doet
    het niet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de boodschap van de kerk als
    die voortdurend ervaren wordt als discriminerend? Hoe genuanceerd ook
    verwoord, het effect is dat men steeds minder luistert naar de stem van
    orthodox-protestantse kerken.

    Maar het heeft niet alleen gevolgen voor de positie van de kerk in de
    samenleving. Verschillende onderzoeken laten zien dat de boodschap die in
    orthodox-protestantse kerken klinkt juist ook voor de betrokken
    gemeenteleden problematische gevolgen kan hebben. Uit het meest recente
    onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau4 blijkt dat religieuze
    homoseksuelen minder dan anderen hun seksuele geaardheid accepteren. Dat
    gebrek aan seksuele zelfacceptatie en negatieve reacties uit de omgeving (met
    name de ouders) zijn weer schadelijk voor de psychische gezondheid en
    kunnen zelfs leiden tot een verhoogd risico op zelfdoding. Er is – voor de
    duidelijkheid – geen direct verband tussen homoseksualiteit, religie en
    psychische problemen, maar de negatieve reactie is wel een risicofactor.5

    Daarmee komt een belangrijke ethische vraag naar boven: in welke mate
    dragen kerken door hun ethische debat over homoseksualiteit en door het
    voortdurend definiëren van homoseksualiteit als probleem ongewild bij aan
    de psychische problematiek bij homoseksuele gemeenteleden? En als dat
    inderdaad het geval is, wat betekent dat dan voor de manier waarop we wel –
    en niet – het gesprek over homoseksualiteit moeten voeren? Hoe meer ik dit
    soort onderzoeken en de verhalen van mensen op me in laat werken, des te
    meer groeit de vrees dat kerken eerder deel zijn van het probleem dan van de
    oplossing. Lopen we niet het risico dat ethische rechtzinnigheid uitmondt in
    onrecht tegenover kwetsbare mensen?

    Anders gezegd: ook ons spreken over de ander (in dit geval de homoseksuele mens) moet ethisch worden getoetst.
    Ik haast me daarbij te zeggen dat dit wat mij betreft niet betekent dat er geen
    kritische of afwijzende visie op homoseksualiteit mag zijn. Juist daarover zal
    het kerkelijk ethisch gesprek moeten gaan. Als echter dat ethisch gesprek leidt
    tot het vergroten van de problemen bij de mensen om wie het gaat, dan gaat
    er in elk geval iets niet goed in de manier waarop we het gesprek voeren. Ook
    al kan er spanning tussen bestaan, ethische en pastorale afwegingen kunnen
    niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Wat pastoraal schadelijk is, kan ethisch
    niet juist zijn en omgekeerd. Alleen al daarom kan ons ethisch spreken over
    homoseksualiteit nooit losstaan van ons spreken met homoseksuele mensen.

    3. Wat is de kerk?
    Aan het eind van dit artikel ga ik nog in op de vraag hoe dat spreken met
    gestalte kan krijgen en wat er voor nodig is. Eerst richt ik me nu op de vraag
    wat het eigenlijk betekent om kerk te zijn. Die vraag is van belang omdat het
    antwoord veel gevolgen heeft voor de verwachtingen die we hebben ten
    aanzien van het moreel spreken van de kerk.

    In het denken over de kerk klinken de woorden van de Apostolische
    Geloofsbelijdenis vaak mee: ‘een heilige, algemene, christelijke kerk’. Die
    woorden vragen om een evenwicht tussen twee neigingen die we in het
    gesprek kunnen vinden. Aan de ene kant zijn er mensen die vooral de eenheid
    en algemeenheid benadrukken. Aan de andere kant spreekt men vooral over
    heiligheid en zuiverheid. Wie de eenheid benadrukt, zal meer ruimte willen
    laten voor verschil van inzicht en steeds zoeken naar verbinding. Dat kan
    ertoe leiden dat kritische vragen niet meer gesteld mogen worden en dat de
    kerk uiteindelijk een veelkleurig geheel wordt zonder eigen identiteit.

    Wie de heiligheid en zuiverheid benadrukt, zal veel belang hechten aan precieze en
    gedeelde standpunten. Dat kan ertoe leiden dat mensen die op de een of
    andere manier anders zijn of denken, buiten de boot vallen en dat de kerk
    uiteindelijk een klein sektarisch genootschap wordt.
    In de discussie over homoseksualiteit komen we deze twee uitersten
    voortdurend tegen. De aanhangers van de ‘algemene kerk’ hebben het graag
    over liefde en aanvaarding; de verdedigers van de ‘zuivere kerk’ spreken
    graag over waarheid. De eersten vinden dat het onbarmhartig is om
    bijvoorbeeld van homoseksuelen te vragen dat zij alleen blijven; de laatsten
    vrezen dat daarmee de zonde wordt goedgepraat. Maar die discussie gaat
    eigenlijk niet alleen over de positie en levenskeuzes van homo’s, maar ook
    (vooral?) over de vraag wat kerk-zijn betekent.

    Dat mondt onder meer uit in de vraag hoeveel moreel gezag de kerk heeft.
    Mag de kerk mensen opleggen hoe ze moeten leven, of is dat uiteindelijk altijd
    de persoonlijke verantwoordelijkheid van mensen zelf? Deze vraag heeft
    natuurlijk alles te maken met de toegenomen mondigheid. Steeds minder
    laten mensen zich gezeggen door kerkelijke of maatschappelijke
    gezagsdragers. Maar principieel is deze lijn van persoonlijke
    verantwoordelijkheid al in de Bijbel nadrukkelijk aanwezig. Ook in de brieven
    van Paulus wordt herhaaldelijk onderstreept dat gelovigen elkaar niet te
    oordelen hebben, maar ieder voor zich verantwoording schuldig is aan God.

    Als we die benadering doortrekken, wordt het lastiger om te accepteren dat
    een voorganger of kerkenraad voorschrijft hoe iemand zijn of haar leven moet
    leiden. Ook daardoor verschuift het accent meer naar de open inclusieve kerk
    en weg van de zuivere ware kerk.
    Dat wil niet zeggen dat de ethische vragen verdwijnen. Ze veranderen alleen
    van aard. De belangrijkste vraag wordt nu wat er in moreel opzicht van de
    kerk gevraagd wordt in de omgang met de wereld en met haar eigen
    gemeenteleden.

    Centraal staat de vraag wat het betekent om kerk te zijn en
    hoe we in het kerk-zijn getuigen van het heil. Centraal staat niet de vraag of en
    hoe ‘zij’ homo mogen zijn, maar hoe ‘wij’ met elkaar kerk dienen te zijn.
    Daarbij verschuift de aandacht van een regelethiek met letterlijke toepassing
    van vaste principes naar een ethiek die vooral kijkt wat de gevolgen zijn van
    ons handelen. De kernvraag is dan of we met onze woorden en daden schade
    doen. In Bijbelse termen: of we onrecht doen. Zijn onze ethische debatten tot
    heil van mensen, of doen ze juist mensen kwaad? Dit is een fundamentele
    vraag die teruggaat op de klacht van de profeten en aansluit bij de manier
    waarop Jezus de strijd aangaat met bijvoorbeeld de Farizeeën en opkomt voor
    vrouwen, vreemdelingen en anderen die buitengesloten werden. Met andere
    woorden: “what would Jesus do?”

    4. Verder komen in het gesprek
    Wat is er nodig om in dit moeizame gesprek een stap verder te kunnen zetten?
    Het begint er mijns inziens mee dat we beseffen dat onze standpunten niet
    objectief of geïsoleerd buiten ons bestaan omgaan. Ze zijn ingebed in onze
    levensloop, onze eigen persoonlijkheid en seksualiteit, de mensen die we
    ontmoet hebben, de manier waarop we in het leven staan, enzovoorts. Dat wil
    niet zeggen dat er geen algemenere dingen te zeggen zijn, maar we doen er
    goed aan ook onze eigen subjectiviteit te onderkennen.

    Voor een ontmoeting moet je je eerst bewust zijn van je eigen perspectief en
    beseffen dat de ander een echt ander perspectief heeft. Dat zijn al twee
    ingewikkelde stappen. Soms komen we niet eens aan de eerste stap toe. Veel
    homo’s en lesbiennes hebben jarenlang alleen vanuit het perspectief van
    hetero’s gedacht en geleefd. Voor hen is het een moeizame bevrijding om het
    eigen perspectief te gaan innemen.

    Minstens zo moeilijk is het te beseffen dat de ander echt anders is. Dat is vooral moeilijk wanneer je bij de
    vanzelfsprekende meerderheid hoort. Voor hetero’s is het moeilijk in te
    voelen wat het is om in een wereld te leven waarin de norm en standaard in
    relaties en seksualiteit wezenlijk anders zijn dan jij zelf ben. Pas als deze twee
    stappen gezet zijn kun je een stap verder komen en proberen het perspectief
    van de ander te verstaan: via de ogen van de ander jezelf te zien. Zo kunnen
    hetero’s gaan meevoelen wat hun woorden en houding bij homo’s
    teweegbrengen en andersom.

    Als je een ander ontmoet, ontmoet je een vreemde. In die ander word je dan
    ook bepaald bij het anders zijn. Dat is een heel Bijbels gegeven. De
    vreemdeling is degene die onze vanzelfsprekendheid doorbreekt en ons
    openmaakt voor een nieuwe boodschap. De ontmoeting met de vreemdeling is
    dan ook niet minder dan een openbaring. Voor zo’n ontmoeting staat Jezus
    symbool. Hij verschijnt als Vreemdeling en weigert op te gaan in de massa. Hij
    blijft opvallen als de man die anders is. Daar maakt hij zelfs zijn handelsmerk
    van: in zijn woorden en daden doet hij steeds het onverwachte. In de
    gelijkenissen bijvoorbeeld wordt in een gewoon verhaal een vervreemdend
    element ingebracht. De kracht daarvan is dat wanneer het gewone verhaal
    vreemd wordt, dat dan het vreemde verhaal van het Koninkrijk verstaanbaar
    kan worden. Zo zijn gelijkenissen dragers van de momenten van openbaring:
    momenten dat we opeens iets ontdekken van het anders-zijn van Gods
    Koninkrijk.

    Nu moet je altijd uitkijken dat te makkelijk gelijk te stellen, maar die
    vreemdeling is vandaag de dag in de kerken onder andere te vinden in de
    homoseksuele of lesbische gemeenteleden. En omgekeerd geldt voor hen dat
    de vreemdeling te vinden is in de hetero’s om hen heen. De uitdaging is om in
    elkaar het vreemde te zoeken, zodat de ander een gelijkenis kan worden van
    het Koninkrijk. Dat vind je niet wanneer de ander helemaal gelijk is geworden
    aan jou zelf, wanneer alle scherpe kanten eraf geslepen zijn. Het vreemde
    komt pas dichtbij als het rauw en anders is.

    Ik voer dus geen pleidooi voor een vlakke harmonie, maar juist voor het
    doorleven van de confrontatie. Dat gaat soms schoksgewijs, soms ook langs de
    weg van moeizame verkenningen om te verstaan wat de ander zegt en
    bedoelt. Ook daar is niets nieuws aan. In Handelingen 15 lezen we van een
    confrontatie met dezelfde vragen, juist omdat we ook daar de vreemdeling
    tegenkomen. Het ging ook toen niet om de religieuze franje maar om
    wezenlijke vragen naar de identiteit van de christelijke gemeente en de
    grenzen van de vrijheid. Tegelijk zie je de apostelen niet verzanden in
    academische discussies over wat wel en niet mag. Ze getuigen van het werk
    van God – al is het op een heel andere plaats en wijze dan de anderen
    verwachtten. En ze vinden met alle verschillen een aantal ethische grenzen
    waarin ze elkaar herkennen.

    De wezenlijke vraag in Handelingen 15 is daarmee hoe breed het heil is en hoe
    groot de genade. Dat is een riskante vraag, want als het breed en grenzeloos
    wordt, verliest het evangelie ook zijn kritische kracht. Er is altijd ook zoiets als
    tegenspraak die openbarend zou kunnen zijn. Tegelijk is de boodschap van
    genade voortdurend gericht op die volmaakte vrijheid. Zolang mensen
    beklemd zijn, is het heil nog niet volledig. Maar hoe voorkom je de
    grenzeloosheid? Het is verleidelijk daar de wet tussen te schuiven, maar
    daarmee zet je de genade klem.

    Het gesprek over homoseksualiteit in de kerk zou dus niet moeten gaan over
    wat wel en niet mag, over grenzen aan het liefdesleven van de een of aan de
    tolerantie van de ander. Het gesprek zou moeten gaan over de vraag hoe de
    genade doorwerkt in onze levens. Daarom kunnen we beter getuigen van de
    weg die God met ons gaat dan dat we discussiëren over de grenzen.

    5. Ethische richtlijnen voor het gesprek
    Dat wil niet zeggen dat het gesprek over normen en regels niet gevoerd moet
    worden. Er zijn namelijk fundamentele zaken in het geding, en die hebben
    alles te maken met hoe we de Bijbel zien, hoe we omgaan met menselijke
    verantwoordelijkheid en met de rol van de kerk om daar al dan niet leiding
    aan te geven. Maar voordat dat allemaal aan de orde kan komen zijn er eerst
    andere ethische normen in het geding. Die gaan onder meer over het gesprek
    zelf. Als daar niet op gelet wordt – of misschien zelfs: als daar niet eerst over
    onderhandeld is – loopt het gesprek grote kans te ontsporen. Ik wil hier een
    paar van die richtlijnen noemen.

    De eerste richtlijn is dat je elkaar werkelijk als gesprekspartners accepteert.
    Dit houdt in dat je de ander, al is het maar voor de duur van het gesprek,
    serieus neemt als iemand die evenveel aanspraak kan maken op de waarheid
    als jij. Het betekent ook dat je de ander niet als object beschouwt waar je over
    kunt praten, maar als subject: iemand die meepraat. Een consequentie hiervan
    is dat niet de één voortdurend wordt beoordeeld door de ander. Dat kan de
    homo zijn die zich moet verdedigen, maar ook de hetero die het voor zijn of
    haar geweten niet kan maken alles te accepteren. Als de rolverdeling zo is dat
    de een zich steeds verdedigt tegen de kritische vragen van de ander, dan is het
    gesprek onmogelijk geworden.

    De tweede richtlijn is dat beide partners even kwetsbaar moeten zijn in het
    gesprek. Dat vloeit eigenlijk voort uit het principe van de wederkerigheid en
    het doorbreken van aanval en verdediging, maar het gaat verder dan dat. Het
    gaat nu ook over de wil om jezelf aan elkaar mee te delen. In veel gesprekken
    is ook deze kwetsbaarheid eenzijdig, en dan kan het helpen om de vragen om
    te draaien. Wat aan de homo gevraagd wordt moet in principe ook aan de
    hetero gevraagd kunnen worden. De vraag ‘hoe ben je zo geworden?’ helpt
    alleen maar als het een vraag naar beide kanten is. Als we hier niet op letten,
    voeren we binnen de kortste keren een publiek gesprek over de meest intieme
    zaken in het leven van een ander.

    De derde richtlijn is dat we proberen elkaar in het geloof verder te helpen. Dat
    is wat anders dan dat we voor elkaar moeten weten of bepalen wat de juiste
    weg is. Ten diepste is dat altijd een vorm van minachting voor de ander en van
    onderschatting van de mogelijkheden van Gods Geest. Ruimte laten aan elkaar
    en respecteren van de verantwoordelijkheid van de ander mag samen gaan
    met de bereidheid met die ander mee te leven. Dat geldt niet alleen voor het
    onderlinge contact; ook voorgangers en kerkenraden hoeven niet de waarheid
    in pacht te hebben. Vaak voelen ze zich klem zitten in de verantwoordelijkheid
    overal antwoorden op te hebben. Geestelijk leiding geven is echter niet het
    uitdragen van zulke antwoorden. Het is dienstbaar zijn aan de geloofsgroei en
    dat is wat anders.

    Het is niet noodzakelijk dat je het samen eens wordt. Ook niet als het gaat over
    geloof en homoseksualiteit. Belangrijker is dat je bij de verschillen elkaar
    opzoekt en ruimte maakt om elkaar te dienen. Uiteindelijk moeten we ons dan
    ook afvragen of we het wel over de juiste vragen hebben. Het hele gesprek
    (debat?) over homoseksualiteit kan ons afhouden van de onderliggende
    vragen die ons veel meer kunnen leren: over de omgang met de Schrift
    bijvoorbeeld. Maar dan helpt het om niet enkel zeven teksten te analyseren
    die mogelijk gaan over homoseksueel gedrag, maar juist teksten te lezen die
    spreken over hoe wij kerk zijn en hoe we daarin omgaan met diversiteit en
    verschillen van inzicht. De echte vraag is niet hoe ‘zij’ homo moeten zijn maar
    hoe wij gezamenlijk kerk moeten zijn.

    Met toestemming van de schrijver en de uitgeverij overgenomen:

    © R.Ruard Ganzevoort

    Verschenen in: Ad de Bruijne (redactie) Open en kwetsbaar. Christelijk
    debat over homoseksualiteit. Barneveld: De Vuurbaak, 45-55.

    Uitgeverij: De Vuurbaak, Barneveld
    Voetnoten:
    1 G.J.M. van den Aardweg & J. Bonda, Een netelig vraagstuk. Homofilie, geloof en psychologie.
    Nijkerk: Callenbach 1981.
    2 J. Douma, Homofilie. Kampen: Van den Berg 1988.
    3 L. Payne, Genezing van de homoseksueel. Hoornaar: Gideon 1984.
    4 Saskia Keuzenkamp (red.), Niet te ver uit de kast. Ervaringen van homo- en biseksuelen in
    Nederland. Den Haag: SCP 2012.
    5 Het onderzoek maakt geen onderscheid tussen orthodoxe en liberale vormen van religie,
    terwijl die juist in de visie op homoseksualiteit sterk verschillen. Daarom is de factor
    ‘negatieve reacties’ van groter belang voor de vragen in dit artikel dan de factor ‘religie’ zelf.

    “Van excommunicatie naar communicatie”

    Samenvatting thesis ‘Van excommunicatie naar communicatie’

    Over communicatie homoseksualiteit in orthodox protestante gezindte

    Ik ben januari/februari 2011 gaan nadenken over een thesis-onderwerp en -opzet.

    Mijn uitgangspositie was mijn indruk, dat homoseksuelen die tot de orthodox protestantse
    gezindte behoren door

    1. kerkelijk lidmaatschap en
    2. familie-afkomst en
    3. huidige familiekring

    zich in deze gezindte niet geaccepteerd zouden voelen en alleen op internet en bij eigen verenigingen zichzelf konden zijn.

    Op basis van deze begin-indruk leek het me interessant deze onderstroom of ‘subway’ voor communicatie rond homoseksualiteit te onderzoeken: hoe zou deze onderstroom bijvoorbeeld reactie of aanvulling vormen op de hoofdstroom (de totale communicatie)?

    Mijn interesse ging natuurlijk uit naar de achterliggende vraag, hoe communicatie in de verdrukking plaats vindt rond het vinden van een identiteit, namelijk het integreren van geloof en homoseksualiteit, als deze combinatie zo ingewikkeld is?

    Ik overwoog daarbij de onderzoekstitel: ‘Alleen thuis op het web of ook in de kerk?’.

    Na voor-onderzoek besloot ik toch de hele communicatie in de orthodoxe gezindte rond homoseksualiteit onder de loep te gaan nemen. Ik wilde uitzoeken, hoe nu eigenlijk het gesprek in een homoseksualiteit niet van harte accepterende en soms zelfs dood-zwijgende omgeving toe gaat. Vanwege dit zwijgen en afwijzende als startpositie koos ik de titel voor mijn onderzoek:

    ‘Van excommunicatie naar communicatie’

    Ik was met name benieuwd, wat in de laatste tien jaar de openstelling van het huwelijk voor homoseksuelen had bijgedragen aan het gesprek en benieuwd of de maatschappelij-ke gelijkstelling van homo- aan heteroseksuelen ook gelijkstelling in deze geestelijk-culturele richting dichterbij had gebracht. De tien jaar van 2011-2011 leek me ook een handige afbakening. Was dus de kloof tussen maatschappelijke gelijkheid en orthodox protestantse gelijkheid voor hetero- en homoseksuelen kleiner aan het worden of niet?

    Daarbij moest ik ook een bepaalde invalshoek of onderzoeksperspectief kiezen en verantwoorden om duidelijk te maken, vanuit welke gezichtspunt of zoeker mijn blik gericht was op het veld.

    Ik besloot om een actueel psychologisch perspectief te kiezen, ontleend aan familie-therapie, de zogenaamde ‘systeemtherapie’.

    Dit koos ik omdat systeemtheorie mij al enkele jaren boeit. Zo naar groepen en systemen kijken als naar een gezin of familie bood mij de gelegenheid om processen en acties te duiden op een manier, die de communicatie rond homoseksualiteit goed zou helpen begrijpen evenals de soms afwezige communicatie. Ook bood systeemtheorie mij gelegenheid om de kerkelijke communicatie met de bijkomende cultuur in één kader te kunnen plaatsen.

    Terwijl ik de cultureel-geestelijke richting in den brede, dus niet alleen de orthodox protestantse kerken maar ook hun cultuur en maatschappelijk reikwijdte zo wilde onderzoeken, reikte dr. Heyen mij de term ‘gezindte’ aan als sleutelwoord om de brede familiekring van een homoseksueel te benoemen: ‘gezindte’ als variant op ‘gezin’, zodat duidelijk zou worden, wat ik vermoedde, dat de gezindte een familie in het groot is, waarvan het eigen gezin van herkomst het kerngezin vormt.

    Ik hoopte met deze invalshoek ook een bijdrage aan contextueel pastoraat te leveren: zodat predikanten en pastoraal werkenden zich meer van de context van een homoseksueel bewust zouden worden en voor echt gesprek over homoseksualiteit er vooral ook gesprek met homoseksuelen zelf zou ontstaan in deze gezindte en vooral ontmoeting in de context zou gaan plaatsvinden.

    Een homoseksueel ervaart ook – heel normaal en gezond – zijn of haar afkomst als familie en eventuele ontgroeien daaraan als een verzelfstandiging ten opzichte van kerngezin en jeugd. Doordat de homoseksuele geaardheid tot voor kort niet goed bespreekbaar was binnen deze gezindte leidde dit in het verleden vaak tot ontworsteling en losmaken van
    de verbanden van zijn of haar opgroeien; dus tot een losmaken van kerk en familie.

    Ik onderzocht literatuur die in de laatste tien gepubliceerd was om het gesprek en de bezinning rond homoseksualiteit te verhelderen of verbeteren. Ik enquêteerde onder
    leden van christelijke homo-verenigingen en interviewde schrijvers van de besproken literatuur, voorzitters van christelijke homo-verenigingen, een webmaster van een christelijk forum voor lesbiennes, een aantal predikanten en een voorzitter van een koepelorganisatie op het gebied van kerk en homoseksualiteit.

    In mijn onderzoek bleek de maatschappelijke acceptatie en gelijkstelling van homo- aan heteroseksuelen, ondersteund door beleid van het ministerie van OCW op emancipatie-gebied wel enig positieve gevolg te hebben gehad, maar bleek eveneens dat de orthodoxe gezindte minstens zozeer op zichzelf was blijven staan en een verzetsgroep dreigde te worden. Ik stuitte op toenemende polarisatie, in de afgelopen tien jaar.

    Tot slot bekeek ik ook de overheidsrapporten rond emancipatiebeleid uit de laatste jaren en onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau en de Roosevelt academy rond
    het ervaren in de orthodox protestantse gezindte van het emancipatiebeleid van de over-
    heid, dat niet alleen de emancipatie van homoseksuelen maar ook van vrouwen op het oog heeft.

    Om communicatie goed te begrijpen koos ik een definitie die communicatie als volgt definieert:

    ‘Communicatie is de uitwisseling van symbolische informatie, die plaatsvindt tussen mensen, die zich bewust zijn van elkaars aanwezigheid, onmiddellijk of gemedieerd.
    Deze informatie wordt deels bewust, deels onbewust gegeven, ontvangen en geïnterpreteerd‘ (Frank Oomkes)

    Daarom voeg ik nu ook een tekening toe, die het gesprek of de communicatie verbeeldt:

    (zichtbaar in een presentatie via scherm)
    Als het gesprek of de communicatie zo verbeeld is als een uitwisselingsproces,
    met onbewuste en bewuste kanten, met directe en indirecte stromen en wat mij betreft op morele basis van gelijkwaardigheid en respect, dan kom ik tot 10 conclusies:

    1. het gesprek over homoseksualiteit in de orthodox protestantse gezindte lijdt onder
    het ethisch accent: door de nadruk op het al of niet afwijzen van een leven als homo-
    seksueel in deze gezindte is er weinig ruimte geweest in de afgelopen tien jaar voor
    het gesprek over de contextuele aspecten aan een ‘coming out’: de relationeel-emotio-
    nele kant van een coming out is daarbij over het hoofd gezien. De gevolgen voor kin-
    deren van een homo-ouder, de ouders en verdere familie van homoseksuelen zijn
    daardoor minder in de aandacht betrokken. Pastorale aandacht ging uit naar het
    homoseksueel zijn en de opdracht tot verandering en dus niet naar de context,
    het systeem. Niet alleen de homoseksueel maar ook zijn context wordt daarvan ‘kind
    van de rekening’.

    2. Voor lesbische vrouwen is in de orthodox protestantse kerken officieel geen plek
    geweest, aangezien als er al stemrecht is voor vrouwen in de kerk, zij alleen actief kun-
    nen stemmen, maar niet in het ambt gekozen kunnen worden over het algemeen. Zij
    kunnen wel door een kerkenraad van mannenbroeders van het avondmaal geweerd en
    onder tucht gezet worden.
    In pastoraat staat het herder zijn onder het opziener-zijn, de twee aspecten van het
    ambt van ouderling of lerend ouderling, de predikant. Daarmee staat of valt pastoraat
    met beleid op synode-niveau en is er hooguit ‘pastorale ruimte’ geweest in de manier
    waarop men tucht uitvoerde. De tekst ‘de man is het hoofd van de vrouw’ heeft
    daarnaast consequenties voor de gelijkwaardigheid als gesprekspartners, terwijl het
    Woord en de woordverkondiging ook een relationeel proces in zich bergen.
    Onveiligheid om uit de kast te komen is een gevolg geweest bij gebrek aan gelijkwaar-
    digheid in het gesprek; dit met alle psychische en contextuele gevolgen van dien.

    3. De overheid is ingesprongen in dit gesprek de afgelopen tien jaar, uit geconstateerd
    gebrek aan assertiviteit en weerbaarheid van homoseksuelen in de onderzochte ge-
    zindte. De overheid heeft zich als bondgenoot van de zwakkere minderheid ontpopt.

    Dit heeft een dubbele uitwerking gehad: zowel steun en versterking van deze minder-
    heid. De overheid heeft tussen de maatschappelijke acceptatie van homoseksualiteit en
    de ongelijkheid van hetero- en homoseksuelen in de onderzochte gezindte onrecht
    bespeurd en een onwenselijke situatie. Het gesprek is door de polarisatie ook onder
    druk komen te staan en heeft zijn vrijblijvendheid verloren in de onderzochte gezindte.
    Homo-tolerantie in deze gezindte is besmet geraakt en de rust in het pastoraat en
    groeiende aandacht voor de context is onder druk komen te staan.

    4. Homoseksuelen zelf in de onderzochte gezindte ervaren pastoraat als een voortvloeisel
    van het er niet mogen zijn. Contextueel pastoraat aan hen zal in deze gezindte bij
    kunnen dragen aan het gesprek rond homoseksualiteit, tot er dusdanig ruimte,
    aandacht en zicht is op homoseksualiteit, dat pastoraat alleen het omgaan hiermee
    dient en niet meer nazorg rond tucht inhoudt.

    5. Contextueel pastoraat, dus zorg vanuit de kerk aan de homoseksuele broeder en zuster en zijn of haar context, is een tot nu toe te onbekend fenomeen in de onderzochte gezindte en zal dienstig aan genezing van verstoorde verhoudingen zijn, bijdragen aan genezing, begrip en respect onderling. Hoe meer echte aandacht voor elkaar, hoe
    minder er afscheid genomen wordt van elkaar binnen ‘gezin‘ en ‘gezindte’ door toedoen
    van openheid aan homoseksualiteit.

    6. De thematiek in het gesprek over homoseksualiteit is aan het veranderen in de afgelo-
    pen tien jaar: in plaats van de nadruk op verandering of genezing van de homoseksue-
    le geaardheid is het accent op de erkenning van deze geaardheid komen te liggen en
    is er meer ruimte aan het groeien voor een plek in de gemeente. Alhoewel het accent
    nog steeds ligt op een opdracht tot onthouding voor de homoseksueel, is aanvaarding
    gegroeid en maakt het ethische accent langzamerhand een beetje ruimte voor
    aandacht aan de relationeel-emotionele aspecten en aan de context.

    7. Het gesprek over de bijbelteksten die klassiek rond homoseksualiteit werden aange-
    haald maakt mondjesmaat plaats voor gesprek over de bril, waarmee men de Bijbel
    leest, ofwel: over de hermeneutiek die voorafgaat aan de exegese. M.n. Ganzevoort
    en Loonstra schreven hierover.

    8. Zowel in de theologie als in de gender-studie is op wetenschappelijk niveau behoefte
    ontstaan na te denken over de rollen van man en vrouw, zoals ze in onze westerse
    wereld zijn aanvaard, ook in contrast met deze rollen in verschillende culturen, zoals de
    oud-oosterse, de Griekse, de Romeinse, de Moslim-culturen van vandaag, de
    Antilliaanse cultuur, culturen van verschillende plaatsen en tijden.
    De grondvraag is, of diversiteit in gender-invulling acceptabel is, misschien zelfs
    verrijkend of een teken van ontaarding of ontsporen is.

    9. Door onze eigen muticulturele samenleving anno 2011/2012 is het gesprek over homo-
    seksualiteit verbreed, maar ook bedreigd geraakt: enerzijds relativeert verbreding van
    gesprek eigen en als algemeen aanvaard ervaren rol- of ‘gender’invullingen, anderzijds
    is zichtbaarheid en openlijke homoseksualiteit door het multiculturele van onze samen-
    leving ook bedreigend gebleken. Verbreding en relativering van eigen cultuur brengt
    naast een bredere blik in de onderzochte gezindte ook verwarring en soms agressie
    mee, op dit moment met name in de Randstad.

    10. Het gesprek over homoseksualiteit bevindt zich in de orthodox protestantse gezindte
    in een spannende, misschien zelfs cruciale fase: welke kant het gesprek op zal gaan,
    is nog niet duidelijk en hoe de polarisatie door de laatste tien jaar zal uitwerken, even
    min.
    Kenmerkend voor deze spanning is het congres, dat afgelopen vrijdag, 20-01, aan de
    TU gehouden is.

    In mijn onderzoek heb ik tot slot enige aanbevelingen en handreikingen gedaan.

    Jolande van Baardewijk

    Anders bijbellezen: een studie

    Stelling: als je afwijkt door een andere geaardheid, heb je psychisch, relationeel en geestelijk het nodige te verwerken. Maar dat homoseksueel-zijn tot afwijzing door kerk of christenen moet leiden, erger nog: tot de suggestie, dat God homo’s afwijst, is onnodig en ‘vloeken in de kerk’.

    De kerk kan net als familie een bemoedigende, steunende maar ook remmende of afwijzende rol spelen: onnodig voor wie de relatie met God echt telt. Als je vanuit de

    relatie met God in Jezus Christus de Bijbel leest, kom je tot anders kijken en bijbel-

    lezen dan de zogenaamde ‘letterlijke’ leeswijze.

    Inventarisatie van problemen in de discussie rond homoseksualiteit en de Bijbel

    1. Genesis 1 en 2, de eerste hoofdstukken van de Bijbel: het scheppingsverhaal.

    Het begin presenteert de mens als Gods schepsel, kroon op de schepping, in twee geslachten:‘mannelijk en vrouwelijk’. De opdracht in 1:26 is: wees vruchtbaar en talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar .. hoe kun je dat ‘vruchtbaar en talrijk’ nu, letterlijk gelezen, anders zien dan van betrekking op de man-vrouw-verbintenis? Dit wordt de scheppingsopdracht genoemd. En toegegeven: kinderen krijgen is alleen door die verbintenis letterlijk of natuurlijk gezien mogelijk. Dus een ‘hetero-start’ van de Bijbel!

    2.  de zo op het oog duidelijkheid van verder bijbelteksten in OT en NT, waarin homo-seksualiteit lijkt veroordeeld te worden: Genesis 19, Leviticus 18 en 20, Romeinen 1.

     W.b. 1: ja, zo is de start, Genesis 1 en 2: duidelijk, mooi, compleet en ideaal geschetst. Maar tussen Gen 1 en 9 ligt de zondeval, gebrokenheid, de kiem voor moord, haat, jacht (dierenmoord), vlees eten, onvruchtbaarheid, ziekte en dood. Toch laat God na de zond-vloed de mensheid niet aan zijn lot over, maar hernieuwt Zijn verbondsrelatie met de mensheid. Hij geeft opnieuw een belofte mee en een nieuwe scheppingsopdracht, met verdiscontering van zonde, gebrokenheid en alle gevolgen; nu hebben we te maken met afwijkende (queer) mensen:

     a. die zich anders geaard weten (zonder trauma of aanleiding tot gelegenheidshomofilie)

    b. mensen die zich in lichaam ‘misplaatst’ voelen (transgenders)

    c. mensen die onvruchtbaar zijn

    d. mensen zonder een specifieke geslacht: ‘interseksuelen’

    1. mensen die aseksueel zijn, die geen partner in welke zin ook verlangen, of rigide zijn
    2. mensen die zich seksueel niet tot volwassenen aangetrokken voelen.
    3. mensen die door verminking van hun seksuele drang en voortplantingsvermogen beroofd zijn (castraten/eunuchs).

     Over onvruchtbaarheid zegt de Bijbel: de drie aartsmoeders Sara, Rebekka en Rachel zijn onvruchtbaar; andere sleutel-vrouwen in de Bijbel ook, zodat er een behoorlijke lijst daarvan in het geslachtsregister van Jezus terecht komt. Aan vrouwen die een kind na prostitutie of na overspel baren, zelfs een stamvader van de Messias, worden in het OT Rachab, Tamar, Bathseba genoemd, allemaal niet netjes binnen het huwelijk. Over om-gaan met onvruchtbaarheid zegt de Bijbel nog, dat de aartsvaders soms om die reden meer vrouwen hadden: dit gaf veel herrie in de tent. Bij Arabieren en Mormonen is dit nog steeds ‘koosjer’, maar vandaag de dag keuren we moreel gezien veelwijverij af. De Bijbel spreekt bijna kritiekloos ook over slavernij en in het NT over het achterstellen van de vrouw, terwijl we dit allemaal als ingehaald door ‘de moraal’, gebaseerd op ons Christen-dom en de moderne tijd vinden.

    Over ‘gesnedenen  (ontmanden) zegt het OT eerst, dat die niet bij de tabernakel mochten komen; maar Jesaja dat ze als teken van de laatste dagen wel welkom zijn in de tempel en het NT (in Handelingen 8), dat de kamerling uit Ethiopië een rol bij de tempel heeft gekocht. Hij is er dus speciaal voorgekomen en leest nu de ‘Bijbel’ en wil uitleg van de Jesajarol die hij leest! Hij krijgt er zo het nieuwe testa-ment mondeling bij. Afwijkingen (als eunuchs) konden Gods heiligheid niet weerspiegelen. Tegenwoordig kennen we geen ontmanden meer, wel siamese en eeneiige tweelingen, spelingen van de natuur; in Afrikaanse culturen is het krijgen hiervan of van albino’s een slecht teken: het boze oog, maar in onze cultuur weer niet. Verstandelijk gehandicapten zijn ook in vele culturen teken van de boze, maar ook in de onze weer niet. Alleen homo-seksueel zijn zoals wetenschappelijk erkend: vanaf geboorte, is in vrijwel alle culturen lastig te hanteren: je ziet er aan de buitenkant weinig van. Je kunt het niet corrigeren, is ook voldoende aangetoond nu. Afwijkingen, zo ‘minimaal’, zijn voor velen bedreigend. 4-8% blijkt in het algemeen homoseksueel geaard. Dus dat is een niet te verwaarlozen aantal. Voor mensen zijn dus afwijkingen lastig, zelfs bedreigend.

     Maar hoe zijn afwijkingen, en afwijkende mensen, ‘queers’, nu voor God?

    In het geheel van OT en NT krijgen afwijkingen een plek in de ‘lijn’ van Jezus: onvrucht-baarheid bijvoorbeeld, maar ook mindere posities als vrouw, buitenlander of slaaf zijn. God had weliswaar rond de tabernakeldienst volmaaktheid en heiligheid geëist, maar dit heeft voor die tijd symboolfunctie, net als rituele reinheid, onthouding en koosjer eten (zie de Thora, Genesis tot en met Deuternomium).

    In het NT worden deze symboolwetten als vervuld in Jezus beschouwd; het onderscheid of discrimineren tussen Jood-heiden moet Petrus afleren, door onrein voedsel ook te gaan eten, zie het vizioen van het laken uit de hemel.

     Wat houden we over: in Hand. 15 leren de apostelen omgaan met christen geworden hei-denen. De vraag is, wat moeten die aan regels houden? Besneden worden, koosjer eten?

    Nee, slechts 3 kerngeboden: onthouding van ontucht, aan de afgoden gewijde zaken en van vlees, dat bloed bevat. Daar staat niets bij als onthouding in homoseksualiteit, wel over onthouding van biefstuk eten; dit even voor het perspectief.

     W.b. 2: de zogenaamde ‘duidelijke’ teksten in OT zijn zo letterlijk niet op te vatten in onze tijd: Sodom en Gomorra gaat over groepsverkrachting door heteromannen en schending van gastrecht (zie het parallel-verhaal in Richteren). Het verbod op man-man-contact (Leviticus) staat in de context van de Heiligheidscodex, waarin ook op vloeken en niet je ouders eren de doodstraf staat. Vaak stond ontucht in het kader van afgoderij, waardoor je je af kunt vragen, waar het hier om gaat en wat er nu afgekeurd wordt (zie ook Romeinen 1). Wij keuren ook seks in de satanskerk af. Als Paulus schrijft in Rom.1 over vrouw-vrouw-contact, dat het ‘para fysin’ is, ‘tegen de natuur’, concluderen veel christenen: onnatuurlijk. Maar ‘fysis’, het Griekse woord voor natuur. kan ook met ‘gewoonte’ worden vertaald, dus het is tegen de gewoonte, ongewoon.

    Als je het zo uitlegt, begrijp je ineens, dat voor kern-homoseksuelen een hetero-huwelijk onnatuurlijk voelt. We weten, hoeveel narigheid er komt als homoseksuelen in een hetero-huwelijk gedwongen worden. We zouden wijzer moeten zijn nu en het gewoon laten staan als afwijking en elkaar daarin respecteren. Onvruchtbare stellen dwingen we ook niet tot kinderen krijgen; we laten ze er in, als ze het daarbij laten; we respecteren hen, als ze willen adopteren of pleegkinderen willen verzorgen. We krabben misschien even achter onze oren, als ze daar een donor bij willen betrekken. Ik doe dat tenminste, als ik zowel bij hetero- of homo-stellen hoor van donors erbij halen. Ik vind wel, dat een homo-verbintenis net als een heteroverbintenis er een in liefde en trouw moet zijn. Ook al is het een afwijkende geaardheid, toch is zo’n verbintenis aan dezelfde beschermende voorwaarden gebonden, als een hetero- huwelijk. Het ‘vruchtbaar en talrijk’ zijn is dan niet letterlijk mogelijk, maar zeker kunnen homostellen die goed hun plek in kerk en maatschappij vinden, erg bijdragen aan kerk en samenleving, pleegkinderen opvangen en in dus minder letterlijke maar zelfs geestelijke manieren vruchtbaar en talrijk zijn!

    Ik zie Gods zegen daarover in Genesis 9: een regenboog en belofte over een gebroken wereld! Ook over queers is deze zegen uitgesproken.

     Auteur: Jolande van Baardewijk

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    “Hoe wordt de kerk veilig voor hetero’s en homo’s?”

    Ik kom in de kerk nog voortdurend mensen tegen, die zich niet alleen openlijk tegen homorelaties uitspreken, maar die ook een onverhoord oordeel vellen over degenen die voor zo’n relatie hebben gekozen.

    Ik wil daarover hier niet in discussie gaan. Ik wil alleen iets van mijn verhaal vertellen. Ik ben mijn hele leven al lid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Ik ben predikant. En ik ben homo. Sinds ik bij familie, vrienden en collega’s voor mijn homoseksuele geaardheid uitgekomen ben, is er veel gebeurd. Het is niet gemakkelijk geweest. En dat zal het in de komende tijd ook niet worden.

    Toch wil ik mijn identiteit niet langer blijven verbergen. Onder dit ingezonden maak ik mijn naam nog niet publiek. Daarvoor zijn andere wegen geschikter. Door mijn coming-out ben ik in contact gekomen met een stukje van de homowereld in de kerk. Ik spreek broeders en zusters van allerlei leeftijden, ik hoor hun verhalen, ik zie hoe ze soms worstelen met zichzelf, met God en met de kerk. Ik proef de angst en de afwijzing die ze tegenkomen in hun omgeving en in zichzelf. Maar ik zie ook hoe ze groeien en sterker worden in de ontmoeting met elkaar en met anderen die echte aandacht voor hen hebben.

    Ik merk dat er pastoraal veel te doen is, dat er gelukkig ook veel goeds gebeurt, maar dat er evenzeer sprake is van onkunde en nalatigheid, en dat er soms ernstige fouten worden gemaakt die schade doen aan zielen. Ik merk bij kerkenraden en ambtsdragers verlegenheid en onzekerheid, hoe ze over homoseksuele gemeenteleden moeten denken en hoe ze met hen moeten handelen.

    Ik kom ook kerkleden tegen die een duidelijke mening over homoseksualiteit hebben, die ze op de Bijbel baseren, maar die ervan lijken te schrikken dat ze daarmee hun homofiele broeders en zusters afstoten. Ze willen dat niet en toch gebeurt het. Gelovige homo’s en lesbiënnes voelen zich in de kerk vaak niet echt gezien en gehoord, niet begrepen en niet erkend in wie ze zijn. Wie neemt het voor hen op tegenover de onmacht en de verlegenheid en tegenover de veroordeling en de uitsluiting, die zij in de kerk ontmoeten? Hoe wordt de kerk van de Here Jezus een veilige plek, waar hetero’s en homo’s samen kunnen leven, elkaar open ontmoeten en aanspreken, van elkaar leren en elkaar helpen om, bij alle verschil van geaardheid en inzicht en levenskeus, de goede Herder te blijven volgen? We hebben met elkaar nog heel veel te doen!

    Wereldgodsdiensten en homoseksualiteit

     

    Zoals op de homepagina al werd gesteld, staan homoseksualiteit en godsdienst vaak op gespannen voet met elkaar . Toch zijn er vele gelovige holebi’s, die veel steun en kracht vinden in hun geloof.

     Hieronder vind je een overzicht van verschillende opinies over homoseksualiteit binnen verschillende godsdiensten (voor een vollediger overzicht: www.religioustolerance.org).

     Christendom

     De Bijbel

    De Bijbel spreekt zich nergens expliciet positief uit over homoseksualiteit. Op negen plaatsen is er in de Heilige Schrift uitdrukkelijk sprake van homoseksualiteit, ondermeer in het verhaal van Sodom . Deze teksten geven dus negatieve interpretatie aan. Sommige uitleggers van de Bijbel concluderen op basis van teksten zoals Dat de liefde voor Jonathan hem meer verrukte dan de liefde voor vrouwen”(II Samuel 1,26), dat de Bijbel wel ruimte biedt voor homoseksualiteit.

    De manier waarop binnen een bepaalde geloofsgenootschap naar de Bijbel gekeken wordt, bepaald in hoge mate hoe er tegen homoseksualiteit wordt aangekeken.

    Rooms-Katholieke Kerk
    De officiële leer binnen deze kerk is dat seksualiteit alleen bedoeld is in een huwelijk tussen een man en een vrouw. Er is dus weinig plaats voor homoseksualiteit. Homoseksuele gevoelens en geaardheid wordt wel erkend maar homosexueel gedrag wordt veroordeeld. Gelukkig vinden  in vele plaatselijke parochies homoseksuelen wel dan niet in relatie levend wel een warm onthaal.

    Protestantisme

    Er is een groot verschil orthodoxe en niet-orthodoxe  protestanten. Onder het orthodox-protestantisme  vallen Reformatorische en Evangelische kerken en geloofsgenootschappen. Bij niet-orthodoxe  protestanten is er geen probleem, terwijl orthodoxe protestanten homoseksualiteit afwijzen.  Sommigen richten zich zelfs tot homoseksuelen om hen te genezen. Dit standpunt heeft te maken met hun visie op de Bijbel: dat wat de Bijbel zegt heeft altijd durende geldigheid. In het algemeen houden zij geen rekening met de verworvenheden van de wetenschap en met het verschil in cultuur. Voor meer informatie zie ons artikel: Kerkelijke visies over homoseksualiteit bij Bijbelstudie

    Judaïsme/Jodendom

    De houdingen van Joodse geloofsgroepen tegenover homoseksualiteit lijkt op die van de Christelijke geloofsgenootschappen en variëren van conservatief tot liberaal. Orthodoxe joden beschouwen homoseksualiteit als “abominatie” (een verschrikking). Liberale joden laten homoseksuele leden toe en verzetten zich discriminatie van holebi’s. Hervormingsgezinde joden gaan nog een stap verder en staan holebi’s toe volledig te participeren in ceremonies.

    Het HeiligeBoek van het joodse geloof is de Tenach, dat deel van de Bijbel dat christenen het oude testament noemen. Het is het verhaal van het volk van Israël, het uitverkoren volk van God, zoals de joden geloven. In het belangrijkste deel van de Tenach, de Torah staat de doodstraf op homoseksualiteit van mannen. Letterlijk staat er: ‘En als een man seksuele relaties met een man onderhoudt, hebben zij beiden een gruwel begaan, en zij zijn schuldig en zullen ter dood gebracht worden.’ (Leviticus 20,13).

    Verschillende gezaghebbende joodse commentatoren hebben door de eeuwen heen de tekst van Leviticus 20,13 specifiek op anale seks toegepast. Alleen daar zou volgens hen de doodstraf op staan. In de Torah staat niets expliciet over seks tussen vrouwen. Aanvullingen op de Tenach staan in de Talmoed, een verzamelwerk met toelichtingen over het maatschappelijke en godsdienstige leven van joden. De Talmoed refereert wel specifiek aan vrouwen die met vrouwen vrijen. Zij worden ‘mesolelot’ genoemd en worden uitgesloten van een huwelijk met een priester. (Babylonische Talmoed, Yebamot 71:a). Dit fragment is later expliciet toegelicht door een schriftgeleerde. Het zou namelijk alleen gelden voor vrouwen die ‘samen liggen op de manier van gemeenschap tussen man en vrouw en hun vrouwelijke delen tegen elkaar wrijven met de wens om gemeenschap te hebben’. Sommige joodse homo’s en lesbo’s zien in deze nuanceringen ruimte om hun seksuele voorkeur te combineren met hun geloof. Zij zien af van bepaalde seksuele handelingen en doen daardoor niets tegen het geloof. Ook binnen het joodse geloof is er verschil tussen strengere orthodoxe en minder strenge geloofsgemeenten. Meer informatie over homoseksualiteit en jodendom: www.glbtjews.org.

     Islam

    In de Koran en de Hadith (uitspraken van Mohammed) staan enkele verwijzingen naar homoseksualiteit. Er bestaat een consensus onder islamitische geleerden dat alle mensen van nature heteroseksueel zijn, en dat homoseksualiteit een zondige (en volgens sommige gevaarlijke) afwijking is. Sommige landen met een op islamitische leest geschoeide strafwet spreken strenge straffen uit voor homoseksueel gedrag, sommige landen zelfs de doodstraf.

     Moslims geloven dat de Koran, het heilige boek van de islam, een directe neerslag is van de woorden van God, of Allah, zoals die geopenbaard werden aan de profeet Mohammed.

    Homoseks tussen mannen wordt in de Koran (net als in de Bijbel) alleen beschreven in termen van losbandigheid, dwang en verkrachting. Het verhaal van de profeet Loet is het bekendste voorbeeld daarvan, en het lijkt erg op het verhaal van Lot in de Bijbel. Zie ook vraag 25. Er wordt in de Koran meerdere malen gewaarschuwd voor sodomie of ‘liwaat’.

    Ook binnen de islam zijn er verschillende stromingen die het geloof verschillend uitleggen en beoefenen. Er zijn grote stromingen als de Shiieten en de Soennieten, maar ook per land, per streek en per imam kan het geloof verschillen. Net als bij het christendom en het jodendom kun je dus niet spreken van ‘de islam’. Bij de interpretatie van de Koran maken sommige mensen onderscheid tussen liwaat en liefdevolle homogevoelens. Liwaat staat voor verkrachting van een man door een andere man, seks met dieren en seks met minderjarigen. Het gaat daarbij met name om anale seks. Dit soort gedrag zou net als bij heteroseks slecht zijn omdat het gaat om misbruik, overmaat of schending van de publieke eerbaarheid. Over gelijkwaardige, vrijwillige en liefdevolle homorelaties schrijft de Koran niet.

    De islam staat over het algemeen veel positiever tegenover seksualiteit dan het christendom. Seks is iets om van te genieten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de belofte voor de hemel. Gelovigen die zich op aarde aan de voorschriften van de islam hebben gehouden, worden in het paradijs beloond en kunnen daar uitgebreid eten en vrijen met mooie jonge mannen en vrouwen. Volgens sommige interpretaties kunnen vrouwen in het paradijs ook van vrouwen genieten, en mannen ook van mannen.

    Tegenover deze interpretaties staat de dagelijkse praktijk waarin veel moslims homoseksualiteit streng afkeuren. Voor veel islamitische homo’s en lesbo’s is het daarom lastig om een vorm te vinden voor hun gevoelens.

    Binnen de Islam bestaat er ook een lange traditie die het mogelijk stelt om homoseksuelen buiten de wet te stellen en vogelvrij te verklaren. Het komt voor dat in sommige meer afgelegen en primitievere gemeenschappen homoseksuele jongens worden gestenigd. Tegelijkertijd echter, wordt in ruimschoots de meeste gevallen (bijvoorbeeld in de grotere steden), de homoseksueel gedoogd en min of meer geaccepteerd. De in Nederland levende Moslim-jongeren, krijgen echter dikwijls te maken met een tweestrijd tussen de traditionele geloofswaarden, en de vrijere gewoonten in Nederland Maar zoals alle moderne godsdiensten is ook de islam een godsdienst met veel verschillende opinies. In diverse westerse landen zijn holebiverenigingen voor moslims actief, ook in Nederland.Meer informatie over islam en homoseksualiteit op http://nl.wikipedia.org/wiki/Islam_en_homoseksualiteit

    Boeddhisme

    Ook binnen het Boeddhisme zijn veel verschillende stromingen, met telkens een andere houding tegenover homoseksualiteit. Maar door de band hechten boeddhisten weinig belang aan seksuele voorkeur. In de geschriften van Boeddha is hier niets over terug te vinden.

    Hindoeisme
    De Kama Sutra is een van de bekendste hindoegeschriften. Daarin worden alle facetten van seksualiteit en genot tussen man en vrouw beschreven. “Samen met de Koka Shastra is dat het geschrift waarin seks voor het eerst als genot werd gezien”, vertelt de Haagse hindoepriester Attry Ramdhani van de Ram Mandir. Daarvoor werd seks puur als iets functioneels gezien. “Mensen deden alleen aan seks om zich voort te planten.” Homoseksualiteit komt in de heilige geschriften van de hindoes niet voor als zodanig.

    “In geen enkel geschrift ben ik homoseksualiteit tegengekomen”, zegt pandit Dharm Shriemissier uit Purmerend. Afgelopen zondag hield de Stichting Arya Samaadj Utrecht (SASU) een bijeenkomst met als thema ‘Hindoeïsme en Homoseksualiteit’. Daar vertelde pandit Bhasker Rewti dat seksualiteit tussen mensen van hetzelfde geslacht nergens voor komt in de eeuwenoude Veda’s. “Wel wordt er geschreven over de plicht je voort te planten. Om de voortgang van de mensheid in stand te houden.” Rewti van de Haagse Vereniging Arya Samaj Nederland (ASAN) stuitte op een gegeven ogenblik tijdens zijn onderzoek op een belangrijk punt.

    “Hoewel we verplicht zijn om ons voort te planten, mogen we ook niemand discrimineren. Iemand handelt uit vrije wil. Als een homo een relatie wil aangaan, wie zijn wij dan om te zeggen: dat mag niet.” Hij benadrukte tijdens zijn lezing dat er ‘zeker’ over dit onderwerp gesproken moet worden om het uit de taboesfeer te halen. Echter, er zijn wel hindoemythologische verhalen waarmee de priesters homoseksualiteit verklaren. “Er is een verhaal in de Mahabharata waarin een vrouw reïncarneert als man. Het hindoeisme zegt dat je gevoelens en emoties meeneemt naar je volgende leven, dus wellicht ook je geaardheid. Dat creëert een opening om te praten over homoseksualiteit”, zegt Ramdhani.

    Ook pandit Surindre Tewarie van de Haagse Sewa Dhaam Mandir refereert naar de Mahabharata wat betreft homoseksualiteit. “We kunnen niet ontkennen dat deze geaardheid bestaat. Het is zelfs terug te vinden in de Mahabharata.” Een opening om over dit onderwerp te beginnen is nodig, omdat homoseksualiteit nog heel erg in de taboesfeer verkeert. Ramdhani: “Vroeger was deze vorm van seksualiteit echt een taboe. Ik merk nu dat de Hindoestaanse gemeenschap het steeds meer gedoogt. Ze weten dat het voorkomt in de eigen omgeving, mensen komen er steeds vaker voor uit, maar er wordt niet over gesproken. Wat rest is openheid.” Volgens de 26-jarige ‘Shareshma’ klopt dat wel zo’n beetje. “Ik weet dat ik lesbisch ben, maar in mijn familie is het nog niet officieel bekend. Mijn ouders weten het, maar willen niet dat de rest het ook weet. Ik heb het pas op mijn 25e aan mijn ouders verteld, maar ik denk dat de rest van mijn familie er pas achter zullen komen als ik ga trouwen met mijn vriendin. Misschien word ik wel verstoten.

    ” Claudio Galvez-Kovacic is een klinisch psycholoog en historicus die gespecialiseerd in homoseksualiteit. “Tegenwoordig zitten de homo’s vooral in een acceptatie- en waarderingsproces. Vroeger werd het afgedaan als iets smerigs, iets psychisch of onnatuurlijks. Nu gaat het er meer om: hoe kom ik met mijn homoseksualiteit naar buiten, vroeger ging het meer om verandering”, vertelt de bijzonder hoogleraar aan de Harvard University en internationaal consulent van de Schorer Stichting. Bij allochtonen kost het proces om ‘uit de kast te komen’ veel meer tijd.

    “Dat betekent bijna altijd dat homo’s en lesbo’s uit bijvoorbeeld de Hindoestaanse gemeenschap nog meer lijden dan die uit de autochtone gemeenschap.” Veel homoseksuele Hindoestanen uiten zich anoniem. Ze zoeken elkaar op, op homo-ontmoetingsplekken (’de baan’) en via het Internet. De Hindoestaanse datingsite Radha (www.radha.nl) biedt ook de mogelijkheid voor on-line homoseksuele relatiebemiddeling. Van de in totaal vijftienduizend leden heeft er ongeveer zeven procent zich aangemeld als homoseksueel, aldus de woordvoerder van de website. “Ze worden lid om de anonimiteit. Er heerst nog steeds een taboe. Ze zijn bang om niet geaccepteerd te worden. Er ligt nog veel werk, maar het begin is er.”

    Overdenking over seksualiteit

    HC zondag 41

    Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,

    Na zoveel weken onderbreking is het tijd weer eens verder te gaan met de
    tien woorden. Vanmorgen het zevende gebod.
    Ik heb al aangekondigd dat ik dat zou gaan samenvatten als ‘respecteer elkaar’.
    Als ik het zo zeg, gebruik ik ‘respecteren’ in een heel moderne zin.
    Misschien is u dat ook al wel eens opgevallen, dat wij dit woord
    tegenwoordig anders gebruiken dan vroeger.
    In mijn oudere druk van Van Dale wordt respect en respecteren vooral
    met gezag in verband gebracht. Je hebt respect, je respecteert mensen en
    instanties die een bepaald gezag over je hebben.

    Tegenwoordig hoor ik respect en respecteren meestal in een ander verband gebruiken.
    We worden geacht respect te hebben voor elkaars mening en voor de integriteit van de ander.
    Elkaar respecteren heeft weinig met gezag en veel met voorzichtigheid en
    om-zichtigheid te maken. Het andere woord dat tegenwoordig bij respect hoort
    is niet meer gezag, maar veel eerder iets als kwetsbaarheid, breekbaarheid,
    kostbaarheid ook. Als je respect hebt voor slachtoffers laat je dat merken
    Respect hebben voor de mening van een ander betekent die ander serieus nemen
    en niet laten merken dat je zijn of haar mening eigenlijk maar dom of vreemd vindt.

    Respect en kwetsbaarheid, breekbaarheid, kostbaarheid, dat is, voor zover ik zie,
    de combinatie die wij tegenwoordig makkelijk leggen.
    Als je elkaar respecteert ga je met elkaar om ergens zoals je met een doos glaswerk omgaat,
    waar op staat: pas op, breekbaar. Voorzichtig dus, om-zichtig.
    Het is een aardige bijkomstigheid dat om-zichtig een letterlijke vertaling lijkt van re-spect.
    Hoe dan ook, onze taal leeft, en verandert dus. En dat is toch leuk.

    In ieder geval zorgt dit ervoor dat ‘respecteer elkaar’ een goede samenvatting
    van dit zevende gebod wordt. Want het gaat hier precies om kwetsbaarheid
    en breekbaarheid en kostbaarheid. Een huwelijk is prachtig, maar breekbaar,
    en daarom zegt God: wees voorzichtig, breek het niet. Menselijke integriteit,
    ook lichamelijke integriteit, is kostbaar, maar breekbaar.
    En daarom zegt God: pas op, breek haar niet. Menselijke relaties zijn kostbaar, maar breekbaar.
    En daarom zegt God: pas op, breek ze niet. De Here God zelf vraagt van zijn volk,
    van zijn christenen voorzichtigheid, omzichtigheid in de omgang met elkaar en met
    anderen, en die eis heeft recht en reden, net als zo’n tekst op een doos glaswerk.
    Want het gaat hier om echt kostbare dingen en als hier iets breekt is er echt iets kapot,
    iets wat je misschien wel weer lijmen kunt, maar wat toch nooit meer wordt als vóór die breuk.

    Extra voordeel van deze samenvatting is, dat je meteen ziet dat er in dit verbod
    nog meer gebeurt dan we toch al denken. Zoals meestal in de tien woorden noemt
    de Here God alleen een bepaald extreem. Maar daar komt in het geheel van de bijbel
    veel meer achter vandaan. Strikt genomen staat hier alleen: je mag geen overspel plegen.
    En dat is een behoorlijk beperkt verbod, was het zeker in die tijd.
    Het gaat er om dat de vrije Israëlitische man, die hier wordt aangesproken,
    geen overspel mag plegen met de vrouw van een medeburger, van een andere vrije
    Israëlitische man. En dan gaat het er in feite ook nog om dat daardoor die andere man
    in zijn recht aangetast zou worden. Verder moeten we ons er maar niet al te veel bij voorstellen.
    Naar een hoer gaan was in de Israëlitische samenleving een ondeugd,
    een zwakheid, maar geen groot kwaad. Wat je met je eigen slavinnen deed,
    voor zover die niet getrouwd waren, moest je tot op grote hoogte zelf weten,
    als man tenminste. Allerlei wat bij ons overspel zou heten, was dat in die tijd niet.

    Laat je dit gebod in het geheel van de bijbel klinken, dan blijkt er meer
    in te gebeuren dan wat ik tot nu toe noemde. Zondag 41 werkt dat netjes uit.
    Het gebod gaat over allerlei vormen van onkuisheid, en krijgt de betekenis van:
    leef zuiver, leef rein, en leid een huwelijksleven dat gedragen wordt door
    wederzijdse liefde en toewijding en uit is op de verheerlijking van God.
    Maar hoe ook uitgebreid, één ding blijft toch: in de catechismus gaat
    dit verbod over seksualiteit, en over meer niet.

    Maar het gaat wèl over meer dan seksualiteit.
    Dat leer je zien, zodra je het samenvat met ‘respecteer elkaar’
    en daarbij denkt aan kwetsbaarheid, breekbaarheid, kostbaarheid. Kijk maar.

    Je ziet het meteen al binnen het huwelijk zelf. Echtbreuk door overspel,
    dat is zoiets als je huwelijk aan gruzelementen gooien.
    Maar als God zegt: pleeg geen overspel, dan bedoelt hij ook: pas op,
    wees voorzichtig, een huwelijk is breekbaar. En dat begint veel eerder
    dan bij het helemaal kapot gooien van je relatie.
    Dan gaat het zomaar ook over langs elkaar heen leven, over venijnige ruzies
    die niet worden bijgelegd, over eindeloze verwijten, over wantrouwen,
    ook op gebieden die helemaal niet met seks te maken hebben.
    Allemaal van die dingen die scheuren en barsten in je huwelijk trekken
    omdat je niet voorzichtig genoeg met elkaar geweest bent.

    Kijk, als ik het zo zeg, zie je meteen dat dit ‘meer dan seksualiteit’
    heel belangrijk is, eigenlijk veel belangrijker dan die seksualiteit zelf.
    In een situatie waarin een huwelijk al gebarsten is door één of meer
    van dit soort dingen is overspel een naar verhouding kleine stap.
    In een huwelijk dat heel is, waarin man en vrouw een werkelijke levenseenheid vormen,
    waarin de een het kostbaarste is dat de ander op aarde heeft,
    is overspel eenvoudig onvoorstelbaar.

    Het lijkt me één van de gemeenste valkuilen van de duivel dat hij ons wijs
    laat maken dat seks en seksualiteit zo eindeloos belangrijk is,
    dat het apart, op zichzelf behandeld moet worden.
    Dat is de boodschap die in de wereld om ons heen permanent klinkt.
    Vervelend genoeg is het ook een boodschap die in de kerk heel vaak klinkt.
    Alleen dan negatief: seksuele zonden zijn van een heel andere orde dan andere zonden.
    Maar dat is allemaal ernstige nonsens. Seks is niet zó belangrijk en je kunt er
    nog veel minder ‘op zichzelf’ over praten of nadenken.
    Ieder zinnig woord over seksualiteit begint bij heel iets anders,
    namelijk bij het respecteren van elkaar.

    En dat wil dus zeggen dat wij elkaar om-zichtig behandelen omdat mensen,
    menselijke integriteit en menselijke relaties breekbaar,
    kwetsbaar en eindeloos kostbaar zijn.
    Eigenlijk starten we dan bij het besef dat God ons, heel persoonlijk,
    eigenhandig heeft gemaakt, geboetseerd. Zoals Genesis 2 het tekent:
    de grote God met zijn handen in de klei, zorgvuldig boetserend,
    met liefde, ieder onderdeel van ons lichaam. Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.
    Met een lichaam dus, een eigen lijf. En dat is geen wegwerpmateriaal, of iets om te gebruiken.
    Dat is o zo mooi en eindeloos kostbaar.

    In een wereld zonder zonde blijft het bij dat kostbare.
    Daarom schaamden Adam en Eva zich niet voor elkaar.
    Maar in een wereld waarin mensen egoïstisch zijn,
    elkaar de schuld geven, elkaar gebruiken, geestelijk en ook lichamelijk,
    is menselijke integriteit ook iets breekbaars en kwetsbaars.
    Dat is één van de dingen die uitkomt in schaamte,
    een besef dat die ander, die net zo is als jij, jou wel eens kan willen hebben,
    kan willen gebruiken, een besef van kwetsbaarheid, van breekbaarheid,
    een besef van dat je als de mens die je bent gebroken en ook geschonden kan worden.

    Misschien zeggen we wel eens te makkelijk tegen elkaar dat we ons voor onszelf
    toch niet hoeven schamen.
    Er zit, lijkt me, ook een diepe naïeviteit in de schaamteloosheid van onze cultuur.
    Mensen zijn kwetsbaar, mensen worden beschadigd.
    Dat je jezelf niet bloot geeft is niet ongezond.

    God wil in ieder geval dat we elkaar in dit alles respecteren,
    dat we met elkaar omgaan als kostbare en kwetsbare mensen.
    Wil je jezelf aan een ander geven, helemaal, als de mens die je bent, ziel-en-lichaam,
    dan bindt God dat aan een huwelijk, in wat voor cultureel bepaalde vorm ook.
    Waarom? Het lijkt me dat iedere discussie over ‘seks-voor-het-huwelijk’ flauw is
    als we niet bij dit respect uitkomen.
    Omdat we nergens meer kwetsbaar zijn dan als we onszelf helemaal geven,
    wil God dat we dat in een veilige, een door beloften van trouw beveiligde relatie doen.
    En zoals gebruikelijk heeft God groot gelijk.
    Jezelf helemaal geven en dan in de steek gelaten worden,
    dat gaat je niet in de koude kleren zitten. Dat beschadigt je.
    Wie vindt dat de ander zich ook vóór de beloften van de trouwdag maar geven moet,
    laat zien dat hij of zij geen respect voor de ander heeft.

    Denk ook eens over homofilie na vanuit dit respect.
    Nee, dat betekent niet dat we alles maar goed moeten vinden.
    Denk maar weer terug aan waar alles mee begint: God maakt ons als man, als vrouw.
    Maar het betekent wel dat we in de eerste plaats op leren houden
    om bij homofilie meteen aan seks te denken.
    U wilt toch ook niet dat anderen bij u meteen aan seks denken?
    Heterofiel? Zo? Praktiserend? En in de tweede plaats betekent het dat we elkaar helpen
    in het besef dat God ons allemaal als man of als vrouw geschapen heeft.
    Als het iemand dan overkomt dat hij als man van een andere man houdt,
    of als vrouw van een andere vrouw, dan zal het de kunst zijn,
    de christelijke kunst om ook werkelijk als man van die andere man te houden,
    of als vrouw van die andere vrouw, en dat heeft nog niets met een karikatuur
    van de liefde tussen man en vrouw te maken.
    Ook als homofiele man of vrouw ben je kostbaar voor God, met huid en haar, inclusief alles.

    Het is dit respect, dit besef van kostbaarheid en kwetsbaarheid van de ander,
    dat ons allemaal verbindt. Als je getrouwd heb je recht op dit respect.
    Zoals jij met jouw lichaam kostbaar bent, zo is je partner kostbaar.
    Je mag ook als getrouwde mensen elkaar niet schenden of gebruiken.
    En ook als je niet getrouwd bent heb je recht op dit respect.
    Mensen mogen jou niet met de ogen uitkleden, en jij mag dat niet bij anderen.
    Mensen zijn niet om te gebruiken voor jouw bevrediging.
    Jouw lichaam is van jou. Niemand mag daar aankomen.
    De Here God zelf heeft jou gemaakt, eigenhandig, zorgzaam.
    En Hij heeft ook alle andere mensen gemaakt. Even eigenhandig. Even zorgzaam.
    In het hele brede veld van de seksualiteit
    (ook hoe je je kleedt en verzorgt, hoe je elkaar begroet en tegemoet treedt,
    hoe je elkaar liefkoost, tot aan de totaalovergave toe) is het in de een of andere vorm
    dit respect voor de ander en voor jezelf dat je uitdrukt.

    Ziet u, hoe primair dat respect is. Het gaat ook aan het huwelijk vóóraf.
    Het hoort bij ons mens-zijn, zo als we door God gemaakt zijn.
    En het leert je daar positief naar te kijken. Zoals je bent,
    getrouwd of ongetrouwd, met huid en haar, zo ben je kostbaar voor God
    en daarom ook voor jezelf en voor elkaar.
    Het leert je dat hele complex van seksualiteit eens goed te relativeren.
    Het is niet meer en niet minder dan een manier waarop je die kostbaarheid
    ook kostbaar behandelt, respecteert. En als het dat niet is, is het gevaarlijk,
    is het in alle vormen een breken van elkaars integriteit.

    Hoe ingrijpend dat is zie je het duidelijkst bij extreme vormen van seksueel geweld
    en intimidatie. Dat laat enorme littekens achter bij een mens,
    een gevoel juist niet van kostbaarheid, maar van waardeloosheid, van wegwerp-speelgoed zijn.
    Maar laten we niet vergeten dat ook andere vormen van schaamteloosheid
    en respectloosheid schade aanrichten, vaak heel ongemerkt.
    Onze manier van kleden, van bijna ongekleed zijn, een manier van praten,
    met seksueel getinte grappen en toespelingen, wat laat die over van het besef
    dat jij kostbaar bent zoals je bent?
    Dat jij uniek bent en je daarom alleen in een unieke relatie geeft met huid en haar?

    Al met al begrijpt u, hoop ik, waarom ik het belangrijk vind dat we voor onszelf
    leren om over dit gebod na te denken vanuit die achterliggende gedachte
    die heel het gebod samenvat: ‘respecteer elkaar’.
    Dat is dus helemaal gevuld vanuit het besef dat God ons eigenhandig heeft gemaakt,
    moeite voor ons gedaan heeft en nog doet.
    Daarom zijn we kostbaar.
    En die kostbaarheid is in onze werkelijkheid kwetsbaar en breekbaar,
    op allerlei manieren. God leert ons daarom voorzichtig te zijn, om-zichtig,
    respect te hebben. Dat is goed voor mensen, dat geneest. God weet wel wat Hij ons gebiedt.
    Zie Hem maar weer zitten, daar in dat paradijs. De grote God bezig in de klei,
    eigenhandig. Hoe kostbaar is een mens die zo gemaakt is en wakker gekust met Heilige Geest.
    Besef het en je ontdekt wat je te doen hebt: God verheerlijken met je lichaam.
    Een mooie taak. Amen.

    Overgenomen met toestemming

    Bron website ds. W. van Schee