Ontmoeting

‘Wat leuk om jullie weer eens te zien’ zei ik tegen de meiden die op me op het middenpad van de kerk met een brede glimlach tegemoet kwamen. ‘Wat leuk, ik herkende jullie meteen. Komen jullie bij me in de buurt zitten?’ Ik zong die dag in het koortje en ik was een van de voorgangers in de dienst. Na de dienst toen ik dolgraag met ze wilde kletsen kwam er een vrouw naar me toe met een heel verhaal, maar gelukkig zag ik ze uit mijn ooghoek rustig op een bankje zitten. Ik ken ze van een uitstapje een jaar of vier geleden. Toen waren ze net samen gaan wonen. Nu hadden ze een huis gekocht. ‘En verder ‘zei ik, ‘ getrouwd of gepartnerregistreerd? Nog niet en jij’ was hun wedervraag. Gepartnerregistreerd, een aantal jaren geleden al, toen dat nieuw was. Dat is mooi genoeg voor ons. Toen later het huwelijk opengesteld werd voor dames met dames voelde dat aan als een brug te ver. Bij onze partnerregistratie voelden wij ons al een beetje ongemakkelijk. De media sprong er bovenop, niet op de onze, maar in het algemeen, collega’s maakten grappen, van het stadhuis belden ze of ze ons telefoonnummer door mochten geven aan de pers. Mooi niet.

Die partnerregistratie was leuk, maar de weg er naar toe.

We kochten een huis in 1997. Op dat moment waren we al 15 jaar samen. We woonden voor die tijd niet samen, maar wel naast elkaar. Ik had kinderen en zij niet. Zo hield zij ruimte voor zichzelf en ik ruimte voor de kinderen. En we deelden ons leven toch wel. We aten samen en sliepen samen, maar tussen het eten en het slapen waren we ieder in ons eigen huis.

Nadat het laatste kind de deur uit was kochten we samen een huis. En een paar maanden later kwam de partnerregistratie in beeld. We zouden er niets aan doen. Dit was een zakelijke stap. Zorg voor elkaar nemen, dingen goed regelen en wettelijk familie van elkaar worden. Dat sprak ons wel aan. De kinderen mochten dan wel mee, om te getuigen, maar verder geen flauwe kul. Met de kerst ging het mis. Familie bij elkaar en gezellig praten over de dag waar wij niets aan zouden doen. Nieuwe kleren kopen, wij niet, feestje geven, nee joh, we gaan om 9.00 uur naar het stadhuis en dat is het.

‘Maar wij komen’ zeiden haar broers, ‘hoe laat is het’ zei mijn zus, mogen wij mee komen zeiden de vriendjes van de dochters. Wat moesten we met al die goedbedoelde hartelijkheid? Wij voelden ons ongemakkelijk bij het idee van naar het stadhuis gaan en een soort huwelijk afsluiten. We deden er alles aan om te voorkomen dat het een namaak hetero vertoning zou worden. We wilden geen ja woord geven. Daar begonnen we niet aan. Het was toch gewoon een contract? Familie en vrienden wuifden onze bezwaren weg en kondigden hartelijk hun komst aan.

Dan maar een open huis die dag. De mensen die zich voor de bijeenkomst op het stadhuis niet aan ons opdrongen nodigden we in de loop van de dag uit. We kochten op de valreep nieuwe kleren en toen………… wilde ik ook wel een corsage en kreeg het vreselijk op mijn heupen over mijn lippenstift. Ik bekeek er een heleboel, kon geen keuze maken en dreef mijn lief tot wanhoop tot ze er een eind aan maakte door te vragen of ik wel wist waar ik mee bezig was. Wat gebeurde er met me die laatste week? Ineens kwam ik in het gevoel dat ik ging trouwen, de bruid was, mooi wilde zijn. Ik voelde me plotseling onderdeel van een traditie die blijkbaar dieper zat dan ik dacht en die er alleen op dat gebied uit kwam. Of mijn haar goed zat, daar ging het om op dat moment.

We spraken de bijeenkomst door met de ambtenaar van de burgerlijke stand. We zochten een leuke tekst uit die zij voor mocht lezen over de zoektocht naar de wederhelft. Zelf zouden we een gedicht voor lezen waarin we iets van onze liefde voor elkaar uitdrukten.

De dominee vroeg of hij nog een rol kon spelen, maar dat wilden we niet. We voelden ons al 15 jaar gezegend met elkaar en we konden echt niet zoveel aan op dat gebied.

Het open huis was gezellig. We werden in de bloemetjes gezet, er waren cadeautjes en de post bracht ansichtkaarten. We waren verrast en voelden ons gelukkig.

Mensen vragen wel eens hoe we erop terug kijken. Het antwoord is’ tevreden’. Wij deden wat we konden, wat op dat moment bij ons paste. Eerlijk gezegd zijn we nog niet veel veranderd sinds die tijd. Misschien had onze kleding iets feestelijker kunnen zijn, met wat meer kleur erin. Maar we hadden ons huis net gekocht en we waren zuinig en veel tijd en geld hadden we er niet voor over. We hebben nooit overwogen de partnerregistratie om te zetten in een huwelijk. Er is niets wezenlijks veranderd in onze relatie, in ons leven. Niet door het samenwonen, niet door de gang naar het stadhuis.

Wat wel veranderd is? Dat die meiden en ik elkaar nu in de kerk tegen komen is niet toevallig.

Dat betekent dat mijn vriendin niet mijn enige grote liefde is.

Jos Hordijk

Roze zaterdag

Vanmorgen vertelde ik iemand dat ik in Breda was geweest om roze zaterdag te vieren. Hij vroeg me wat ik daar gedaan had en voor ik het wist was ik in een geanimeerd gesprek verwikkeld.

Ik beschreef enthousiast hoe vol de stad was en wat een prachtig bont publiek er liep. Mijn gesprekspartner vroeg indringend door waarom ik het zo fijn vond om ander homo’s te zien. Hij vroeg zich af of ik dan de andere dagen van het jaar iets mis en of ik daar aan lijd. Zo werd het een heel leuk gesprek over roze zaterdag terwijl het eigenlijk een beetje saaie dag was.

Voor we goed en wel in Breda zijn hebben we al bonje over een parkeerplaats. Mijn vriendin roept dat ze veel te gestresst is en dat we nooit meer met de auto naar zo’ n rot stad gaan. Ik probeer haar te sussen door te zeggen dat we de kerkdienst kunnen overslaan als we geen parkeerplaats vinden. Daar wordt ze alleen maar kwaaier van. Ze heeft zich erop verheugd en anders hadden we wel thuis kunnen blijven. Alle aardige plaatsen in de kerk zijn al bezet als we om kloksslag 12.00 uur komen binnen stormen.

Ik vind nog een redelijke plaats achter een pilaar, maar mijn vriendin schuift naar voren tot voorbij het podium, zodat we tegen de achterkant van de voorgangers aan kijken en bovendien nauwelijks een woord verstaan. Nou ja, met een beetje humor slaan we ons er wel doorheen. Wat we verstaan blijkt een hoog emancipatorisch en bemoedigend gehalte te hebben en dat is aan ons niet zo besteed. Wij vinden het wel leuk om lesbisch te zijn.

Gelukkig hebben we op onze plaats ver vooraan in de kerk een fraai uitzicht op de fotograaf. Hij is de gebarricadeerde preekstoel aan het beklimmen, krijgt een telefoontje, en beantwoordt dit alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Nou ja, hij is niet op de viering gericht en wij inmiddels ook niet meer.

Na de onovertroffen multiculturele viering van vorig jaar was het dit jaar weer een gewone oecumenische viering en kon het niet anders dan dat we weer met onze beide benen op de grond terug moesten. Gelukkig blijken de andere kerkgangers nog steeds de moeite van het bekijken waard en dat gaat nu juist heel goed vanuit onze merkwaardige positie.

Veel mensen, een volle kerk, dat is al genieten in een kerkdienst anno 2002. Veel jonge mensen ook, leuke mensen met piericings en tatoeages. Leuke vrolijke kleren en open gezichten, mensen die lekker zitten te zingen alsof ze wekelijks in de kerk zitten. Misschien is dat ook wel zo.

We zien ook bekende gezichten, dames van de wandeling op het damespad, vrouwen van de Holy females, potten van verkeerd verbonden. En zo hebben we toch nog een genoeglijk uurtje met het bekijken van onze broeders en zusters.

‘s Middags staan we een uurtje in een kraampje van verkeerd verbonden en delen en foldertjes spekkies aan voorbijgangers uit. De parade missen we helaas door dat uurtje en dat vind ik jammer.

Daarna het park in op zoek naar de spiegeltent waar een pottenkoor optreedt. Een beetje slenteren door het park, wat drinken en wat eten en voor we het in de gaten hebben wordt het een stuk kouder en daar zijn we niet op gekleed. Na het verorberen van een pizza gaan we op zoek naar de auto en bijna, bijna gaat het weer mis, want waar hebben we het kreng gelaten. We zijn moe, we hebben het koud en willen die vreemde stad uit.

Met een enorme omweg lukt het en met een zucht van verlichting verlaten we Breda. Dat was het weer voor een jaar. Als ik de volgende dag dit verhaal aan mijn kennis vertel pikt hij eruit dat ik zeg zo te genieten van de flanerende homo’s tussen het gewone winkelende publiek.

Hij verwondert zich hier over, dacht dat Nederland inmiddels zo vrij was dat iedereen er allang zo bij liep als zij/hij verkiest. Daar sta ik nou weer verbaasd over en ik vraag hem hoe vaak hij mannen hand in hand door de stad ziet lopen. Hij vraagt of ik aan deze onzichtbaarheid lijd. Ik dacht het niet, maar mijn vreugde over onze zichtbaarheid op roze zaterdag geeft inderdaad te denken.