Valkuilen in het kerkelijk gesprek over homoseksualiteit

Antwoorden op de verkeerde vraag.
Valkuilen in het kerkelijk gesprek over
homoseksualiteit.

Met toestemming van de schrijver en de uitgeverij overgenomen:

© R.Ruard Ganzevoort

Verschenen in: Ad de Bruijne (redactie) Open en kwetsbaar. Christelijk
debat over homoseksualiteit. Barneveld: De Vuurbaak, 45-55.

Uitgeverij: De Vuurbaak, Barneveld

Het gesprek over homoseksualiteit binnen de orthodox-protestantse gezindte
is in de afgelopen jaren in een stroomversnelling gekomen. Dat maakt deze
bundel en de studiedag die er de basis van vormde, bij voorbaat belangrijk. Ze
gaan echter – zo is mijn stelling – over de verkeerde vraag. Dat zal ik in mijn
bijdrage uitwerken, waarbij ik inga op de taak en rol van de ethiek, de visie op
de kerk, en de mogelijkheden voor ware dialoog.

1. Waar komen onze vragen vandaan?
Het ligt in de gereformeerde traditie voor de hand om bij homoseksualiteit
vooral te vragen naar Bijbelse richtlijnen. Meer concreet gaat het dan om de
vraag hoe homoseksuele gemeenteleden hun leven dienen in te richten en
welke plaats ze wel en niet in de gemeente kunnen innemen. Mogen homo’s
bijvoorbeeld aan het avondmaal als ze leven in een homoseksuele relatie?
Mogen twee lesbische moeders hun kind laten dopen? Mogen ze een taak op
zich nemen in de kerk, of ambtsdrager worden?

Het zijn vragen die velen in de kerk bezighouden en die vaak verhitte
gesprekken oproepen. Maar zijn het wel de juiste vragen? Het is op zijn minst
opmerkelijk dat homoseksualiteit in de kerk gezien wordt als zo’n
fundamenteel probleem. Het gaat immers slechts om een beperkt aantal
mensen en ook de Bijbel besteedt er nauwelijks aandacht aan. Los van de
vraag hoe bepaalde Bijbelteksten moeten worden uitgelegd, ze zinken in het
niet bij de talloze teksten over armoede en onrecht die principiële vragen
moeten oproepen bij de levensstijl van zo ongeveer alle christenen in het
Westen. Waarom is het thema homoseksualiteit dan voor kerken zo belangrijk
dat ze zich erop profileren of zelfs – zoals in de Anglicaanse kerk – dreigen te
scheuren op een verschil van inzicht?

Ik wil daarmee niets afdoen van de inhoudelijke vragen. Die zijn er. Ze gaan
over de status en de uitleg van de Bijbel, over onze visie op menselijke
seksualiteit en relaties, over ambt en sacramenten, over de
verantwoordelijkheid van de kerk voor het leven van haar leden, enzovoorts.
Stuk voor stuk gewichtige vragen die de moeite van een theologische
bezinning meer dan waard zijn. Maar precies in die vragen komen we verder
als we ons eerst bezinnen of we wel de juiste vraag op tafel hebben. Alleen zo
kunnen we immers helder krijgen of we de vragen in het juiste perspectief
benaderen.

Wie daar dan even bij stilstaat, kan er niet omheen dat het allemaal wat
complexer ligt dan dat we zomaar kunnen toepassen wat de Bijbel zegt. Het
woord ‘homoseksualiteit’ komt in de Bijbel niet voor (afgezien van een enkele
tendentieuze vertaling). Dat roept op zijn minst de vraag op of de vaak
genoemde teksten wel over hetzelfde gaan. Er zijn zeker teksten die spreken
over seksueel contact tussen twee mannen (over vrouwen spreekt alleen
Romeinen 1), maar homoseksualiteit is – net als heteroseksualiteit – niet
alleen maar een kwestie van seksueel gedrag, maar van een gerichtheid van de
hele persoon. Over homoseksuele relaties lezen we in de Bijbel eigenlijk niets,
al zijn er wel teksten die volgens sommige exegeten suggereren dat ze
bestonden en ook niet per se negatief beoordeeld werden. Ook daar zien we
echter niet de moderne gestalte van een gelijkwaardige liefdesrelatie. Dat
hoeft niet te verbazen.

Ook het moderne heterohuwelijk komt in de Bijbel
immers niet voor en wel om de simpele reden dat de vormgeving van relaties
door de eeuwen en culturen heen steeds fundamenteel veranderd is. De
gelijkwaardigheid van man en vrouw in het huwelijk (of in de samenleving)
komen we bijvoorbeeld in Bijbelse tijden nauwelijks tegen. Vandaag de dag
heerst het idee dat diep gevoelde liefde de basis is voor het huwelijk en dat
men vervolgens binnen dat huwelijk alles met elkaar moet delen. Dat staat ver
af van de vaak gearrangeerde huwelijken van toen, waarbij man en vrouw
samen deel uitmaakten van de grotere familie en zowel praktisch als
emotioneel veel minder op elkaar waren aangewezen.

Dergelijke verschuivingen op het terrein van liefde, seksualiteit en relaties
spelen een grote rol, ook in de discussie over homoseksualiteit. Dat maakt het
moeilijk om zomaar geïsoleerde teksten toe te passen. Bij al onze
interpretaties van Bijbelteksten kunnen we niet om het feit heen dat zowel
wijzelf als de Bijbelteksten in een bepaalde tijd en cultuur gelokaliseerd zijn.
Bij talloze onderwerpen erkennen we dat zonder veel moeite, maar op de een
of andere manier lijkt dat bij homoseksualiteit ingewikkelder.

Het is dan ook goed om hier stil te staan bij de veranderingen die in de cultuur
en in het verlengde daarvan ook in de kerk zijn opgetreden, zeker waar het
gaat over homoseksualiteit. Hoewel er alle eeuwen door mensen zijn geweest
die vooral gericht waren op het eigen geslacht, is de betekenis daarvan heel
erg verschoven. Traditioneel werd het vooral als zonde gezien, of in het
maatschappelijk verkeer als misdaad. Dat hing nauw samen met een
perspectief waarin de maatschappelijke structuren van gezins- en
familieverbanden vooropstonden. In deze verbanden bestonden duidelijke
hiërarchische patronen waarbij mannen meer macht hadden dan vrouwen,
ouders meer macht dan kinderen, vrije mensen boven knechten, enzovoorts.
Voortplanting en seksualiteit zijn in dit perspectief direct met elkaar
verbonden en elke vorm van seksualiteit die niet op voortplanting gericht is, is
dan ook verdacht. Seksualiteit buiten het huwelijk is verboden, omdat het
deze maatschappelijke structuren ondermijnt. Dat geldt nog meer voor
homoseksualiteit.

In de laatste anderhalve eeuw is in de westerse samenleving dit moreeljuridische
perspectief losgelaten en vervangen door een medischtherapeutisch
perspectief. Dat wil zeggen dat homoseksualiteit nu meer
gezien werd als een psychologische afwijking of ziekte. Men ging uitgebreid op
zoek naar verklaringen voor het ontstaan van homoseksualiteit en
ontwikkelde ook methoden om ervan af te komen. Castratie, electroshocks en
‘gezonde mannelijke bezigheden’ als sport werden gezien als middelen om een
scheefgegroeide seksuele ontwikkeling te helpen herstellen.

De christelijke variant ervan werd door psychiaters als Van den Aardweg1 uitgedragen. Ook
ethicus Douma sprak over homofilie als “psychische stoornis”.2 Tot de dag van
vandaag leeft dit idee bij christelijke organisaties als Different en de
volgelingen van Leanne Payne.3 Men betwist met zoveel woorden dat
homoseksualiteit een natuurlijke variant is en zoekt vooral naar mogelijke
psychische oorzaken zoals de relatie met de ouders of ervaringen van seksueel
misbruik. Het woord ‘ziekte’ of ‘handicap’ wordt daarbij vaak vermeden, maar
de manier van denken past nog precies in dit therapeutische perspectief.

In onze samenleving is momenteel het dominante perspectief dat
homoseksualiteit een variant is die bij mensen net zo voorkomt als bij allerlei
diersoorten. Er zijn diverse theorieën over het ontstaan, maar zeker lijkt in elk
geval dat de seksuele gerichtheid in elk geval op jonge leeftijd bepaald wordt
en niet makkelijk veranderd kan worden. Daarover schrijft Glas elders in deze
bundel.

Dit perspectief leidt ertoe dat in de samenleving homoseksualiteit
steeds meer gezien wordt als een persoonskenmerk en dat om die reden
homoseksuele burgers moeten worden beschermd tegen discriminatie.
Hoewel er binnen orthodox-christelijke groepen volop discussie is over de
vraag of homoseksueel gedrag moreel aanvaardbaar is, klinkt wel steeds
duidelijker de roep om een respectvolle en zorgvuldige omgang.
Het besef leeft breed dat er nu eenmaal homoseksuele gemeenteleden zijn en dat die als
medegelovige moeten worden aanvaard. Het onderscheid dat Douma en
anderen maakten tussen ‘zijn’ en ‘doen’ heeft een belangrijke rol gespeeld in
dat proces. Daarmee bewegen de kerken – langzaam maar zeker – mee met de
culturele ontwikkelingen.

2. Ethische discussies
Dat roept de vraag op of de ethische discussies over homoseksualiteit niet een
achterhoedegevecht zijn. Als er inderdaad een onmiskenbare beweging is in
de richting naar meer tolerantie, doen dan debatten over Bijbeluitleg en
moraal er nog wel toe? Ik zou zeggen van wel. Niet alleen omdat het de strijd
is die er nu eenmaal is, maar ook omdat het wel degelijk gaat over
fundamentele zaken als het gezag van de Bijbel en de aard van onze ethische
afwegingen. En in die gesprekken gaat het ook over de vraag hoe de kerk zich
verhoudt tot de samenleving. Er is voor de kerk juist in deze ethische debatten
veel te leren.

Dat begint dan echter wel met een wat andere vraag dan in dit soort
gesprekken gebruikelijk is. De allereerste vraag zou moeten zijn wat het
betekent voor mensen dat zij het object zijn van onze ethische discussies.
Uiteindelijk gaat het in de ethiek niet over abstracte thema’s, maar over de
vraag hoe concrete mensen kunnen leven en hoe zij zich kunnen
verantwoorden voor God en hun eigen geweten. Maar als het over concrete
mensen gaat, dan is het des te meer van belang ons af te vragen wat onze
ethische discussies voor deze concrete mensen tot gevolg heeft.

Het kerkelijk gesprek over homoseksualiteit zit vaak klem tussen de
samenleving waarin het niet-discrimineren de centrale norm is, de traditie
waarin homoseksualiteit werd afgewezen, en de pastorale
verantwoordelijkheid voor homoseksuele gemeenteleden. Hoe meer daarin
het debat wordt gezocht met de maatschappelijke visie op homoseksualiteit,
des te meer komt die pastorale verantwoordelijkheid onder druk te staan. Zo
vertelt een jongeman (21) uit een reformatorische kerk: “Bij ons wordt in de
preek vaak gezegd hoe slecht de wereld is. En vaak wordt dan ook wel als
voorbeeld homoseksualiteit gebruikt. Ik trek me dat altijd wel aan. Kennelijk
hoor ik bij die slechte wereld.”

Misschien moeten we constateren dat een afwijzende visie op
homoseksualiteit een sjibbolet of identity marker is geworden voor het
orthodox-protestantisme. Daarmee bedoel ik dat het steeds meer functioneert
als een herkenningspunt voor een orthodox, Bijbelgetrouw denken. Het gevolg
daarvan is dat de kerk in de samenleving vooral negatieve reacties krijgt. Dat
blijkt bijvoorbeeld bij de discussie over ‘weigerambtenaren’ en het ontslag van
homoseksuele docenten in het christelijk onderwijs.

Zelfs wie op deze punten de klassieke gereformeerde visie wil verdedigen, zou zich toch moeten
afvragen of dit nu het aangewezen onderwerp is om zich op te profileren. Doet
het niet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de boodschap van de kerk als
die voortdurend ervaren wordt als discriminerend? Hoe genuanceerd ook
verwoord, het effect is dat men steeds minder luistert naar de stem van
orthodox-protestantse kerken.

Maar het heeft niet alleen gevolgen voor de positie van de kerk in de
samenleving. Verschillende onderzoeken laten zien dat de boodschap die in
orthodox-protestantse kerken klinkt juist ook voor de betrokken
gemeenteleden problematische gevolgen kan hebben. Uit het meest recente
onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau4 blijkt dat religieuze
homoseksuelen minder dan anderen hun seksuele geaardheid accepteren. Dat
gebrek aan seksuele zelfacceptatie en negatieve reacties uit de omgeving (met
name de ouders) zijn weer schadelijk voor de psychische gezondheid en
kunnen zelfs leiden tot een verhoogd risico op zelfdoding. Er is – voor de
duidelijkheid – geen direct verband tussen homoseksualiteit, religie en
psychische problemen, maar de negatieve reactie is wel een risicofactor.5

Daarmee komt een belangrijke ethische vraag naar boven: in welke mate
dragen kerken door hun ethische debat over homoseksualiteit en door het
voortdurend definiëren van homoseksualiteit als probleem ongewild bij aan
de psychische problematiek bij homoseksuele gemeenteleden? En als dat
inderdaad het geval is, wat betekent dat dan voor de manier waarop we wel –
en niet – het gesprek over homoseksualiteit moeten voeren? Hoe meer ik dit
soort onderzoeken en de verhalen van mensen op me in laat werken, des te
meer groeit de vrees dat kerken eerder deel zijn van het probleem dan van de
oplossing. Lopen we niet het risico dat ethische rechtzinnigheid uitmondt in
onrecht tegenover kwetsbare mensen?

Anders gezegd: ook ons spreken over de ander (in dit geval de homoseksuele mens) moet ethisch worden getoetst.
Ik haast me daarbij te zeggen dat dit wat mij betreft niet betekent dat er geen
kritische of afwijzende visie op homoseksualiteit mag zijn. Juist daarover zal
het kerkelijk ethisch gesprek moeten gaan. Als echter dat ethisch gesprek leidt
tot het vergroten van de problemen bij de mensen om wie het gaat, dan gaat
er in elk geval iets niet goed in de manier waarop we het gesprek voeren. Ook
al kan er spanning tussen bestaan, ethische en pastorale afwegingen kunnen
niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Wat pastoraal schadelijk is, kan ethisch
niet juist zijn en omgekeerd. Alleen al daarom kan ons ethisch spreken over
homoseksualiteit nooit losstaan van ons spreken met homoseksuele mensen.

3. Wat is de kerk?
Aan het eind van dit artikel ga ik nog in op de vraag hoe dat spreken met
gestalte kan krijgen en wat er voor nodig is. Eerst richt ik me nu op de vraag
wat het eigenlijk betekent om kerk te zijn. Die vraag is van belang omdat het
antwoord veel gevolgen heeft voor de verwachtingen die we hebben ten
aanzien van het moreel spreken van de kerk.

In het denken over de kerk klinken de woorden van de Apostolische
Geloofsbelijdenis vaak mee: ‘een heilige, algemene, christelijke kerk’. Die
woorden vragen om een evenwicht tussen twee neigingen die we in het
gesprek kunnen vinden. Aan de ene kant zijn er mensen die vooral de eenheid
en algemeenheid benadrukken. Aan de andere kant spreekt men vooral over
heiligheid en zuiverheid. Wie de eenheid benadrukt, zal meer ruimte willen
laten voor verschil van inzicht en steeds zoeken naar verbinding. Dat kan
ertoe leiden dat kritische vragen niet meer gesteld mogen worden en dat de
kerk uiteindelijk een veelkleurig geheel wordt zonder eigen identiteit.

Wie de heiligheid en zuiverheid benadrukt, zal veel belang hechten aan precieze en
gedeelde standpunten. Dat kan ertoe leiden dat mensen die op de een of
andere manier anders zijn of denken, buiten de boot vallen en dat de kerk
uiteindelijk een klein sektarisch genootschap wordt.
In de discussie over homoseksualiteit komen we deze twee uitersten
voortdurend tegen. De aanhangers van de ‘algemene kerk’ hebben het graag
over liefde en aanvaarding; de verdedigers van de ‘zuivere kerk’ spreken
graag over waarheid. De eersten vinden dat het onbarmhartig is om
bijvoorbeeld van homoseksuelen te vragen dat zij alleen blijven; de laatsten
vrezen dat daarmee de zonde wordt goedgepraat. Maar die discussie gaat
eigenlijk niet alleen over de positie en levenskeuzes van homo’s, maar ook
(vooral?) over de vraag wat kerk-zijn betekent.

Dat mondt onder meer uit in de vraag hoeveel moreel gezag de kerk heeft.
Mag de kerk mensen opleggen hoe ze moeten leven, of is dat uiteindelijk altijd
de persoonlijke verantwoordelijkheid van mensen zelf? Deze vraag heeft
natuurlijk alles te maken met de toegenomen mondigheid. Steeds minder
laten mensen zich gezeggen door kerkelijke of maatschappelijke
gezagsdragers. Maar principieel is deze lijn van persoonlijke
verantwoordelijkheid al in de Bijbel nadrukkelijk aanwezig. Ook in de brieven
van Paulus wordt herhaaldelijk onderstreept dat gelovigen elkaar niet te
oordelen hebben, maar ieder voor zich verantwoording schuldig is aan God.

Als we die benadering doortrekken, wordt het lastiger om te accepteren dat
een voorganger of kerkenraad voorschrijft hoe iemand zijn of haar leven moet
leiden. Ook daardoor verschuift het accent meer naar de open inclusieve kerk
en weg van de zuivere ware kerk.
Dat wil niet zeggen dat de ethische vragen verdwijnen. Ze veranderen alleen
van aard. De belangrijkste vraag wordt nu wat er in moreel opzicht van de
kerk gevraagd wordt in de omgang met de wereld en met haar eigen
gemeenteleden.

Centraal staat de vraag wat het betekent om kerk te zijn en
hoe we in het kerk-zijn getuigen van het heil. Centraal staat niet de vraag of en
hoe ‘zij’ homo mogen zijn, maar hoe ‘wij’ met elkaar kerk dienen te zijn.
Daarbij verschuift de aandacht van een regelethiek met letterlijke toepassing
van vaste principes naar een ethiek die vooral kijkt wat de gevolgen zijn van
ons handelen. De kernvraag is dan of we met onze woorden en daden schade
doen. In Bijbelse termen: of we onrecht doen. Zijn onze ethische debatten tot
heil van mensen, of doen ze juist mensen kwaad? Dit is een fundamentele
vraag die teruggaat op de klacht van de profeten en aansluit bij de manier
waarop Jezus de strijd aangaat met bijvoorbeeld de Farizeeën en opkomt voor
vrouwen, vreemdelingen en anderen die buitengesloten werden. Met andere
woorden: “what would Jesus do?”

4. Verder komen in het gesprek
Wat is er nodig om in dit moeizame gesprek een stap verder te kunnen zetten?
Het begint er mijns inziens mee dat we beseffen dat onze standpunten niet
objectief of geïsoleerd buiten ons bestaan omgaan. Ze zijn ingebed in onze
levensloop, onze eigen persoonlijkheid en seksualiteit, de mensen die we
ontmoet hebben, de manier waarop we in het leven staan, enzovoorts. Dat wil
niet zeggen dat er geen algemenere dingen te zeggen zijn, maar we doen er
goed aan ook onze eigen subjectiviteit te onderkennen.

Voor een ontmoeting moet je je eerst bewust zijn van je eigen perspectief en
beseffen dat de ander een echt ander perspectief heeft. Dat zijn al twee
ingewikkelde stappen. Soms komen we niet eens aan de eerste stap toe. Veel
homo’s en lesbiennes hebben jarenlang alleen vanuit het perspectief van
hetero’s gedacht en geleefd. Voor hen is het een moeizame bevrijding om het
eigen perspectief te gaan innemen.

Minstens zo moeilijk is het te beseffen dat de ander echt anders is. Dat is vooral moeilijk wanneer je bij de
vanzelfsprekende meerderheid hoort. Voor hetero’s is het moeilijk in te
voelen wat het is om in een wereld te leven waarin de norm en standaard in
relaties en seksualiteit wezenlijk anders zijn dan jij zelf ben. Pas als deze twee
stappen gezet zijn kun je een stap verder komen en proberen het perspectief
van de ander te verstaan: via de ogen van de ander jezelf te zien. Zo kunnen
hetero’s gaan meevoelen wat hun woorden en houding bij homo’s
teweegbrengen en andersom.

Als je een ander ontmoet, ontmoet je een vreemde. In die ander word je dan
ook bepaald bij het anders zijn. Dat is een heel Bijbels gegeven. De
vreemdeling is degene die onze vanzelfsprekendheid doorbreekt en ons
openmaakt voor een nieuwe boodschap. De ontmoeting met de vreemdeling is
dan ook niet minder dan een openbaring. Voor zo’n ontmoeting staat Jezus
symbool. Hij verschijnt als Vreemdeling en weigert op te gaan in de massa. Hij
blijft opvallen als de man die anders is. Daar maakt hij zelfs zijn handelsmerk
van: in zijn woorden en daden doet hij steeds het onverwachte. In de
gelijkenissen bijvoorbeeld wordt in een gewoon verhaal een vervreemdend
element ingebracht. De kracht daarvan is dat wanneer het gewone verhaal
vreemd wordt, dat dan het vreemde verhaal van het Koninkrijk verstaanbaar
kan worden. Zo zijn gelijkenissen dragers van de momenten van openbaring:
momenten dat we opeens iets ontdekken van het anders-zijn van Gods
Koninkrijk.

Nu moet je altijd uitkijken dat te makkelijk gelijk te stellen, maar die
vreemdeling is vandaag de dag in de kerken onder andere te vinden in de
homoseksuele of lesbische gemeenteleden. En omgekeerd geldt voor hen dat
de vreemdeling te vinden is in de hetero’s om hen heen. De uitdaging is om in
elkaar het vreemde te zoeken, zodat de ander een gelijkenis kan worden van
het Koninkrijk. Dat vind je niet wanneer de ander helemaal gelijk is geworden
aan jou zelf, wanneer alle scherpe kanten eraf geslepen zijn. Het vreemde
komt pas dichtbij als het rauw en anders is.

Ik voer dus geen pleidooi voor een vlakke harmonie, maar juist voor het
doorleven van de confrontatie. Dat gaat soms schoksgewijs, soms ook langs de
weg van moeizame verkenningen om te verstaan wat de ander zegt en
bedoelt. Ook daar is niets nieuws aan. In Handelingen 15 lezen we van een
confrontatie met dezelfde vragen, juist omdat we ook daar de vreemdeling
tegenkomen. Het ging ook toen niet om de religieuze franje maar om
wezenlijke vragen naar de identiteit van de christelijke gemeente en de
grenzen van de vrijheid. Tegelijk zie je de apostelen niet verzanden in
academische discussies over wat wel en niet mag. Ze getuigen van het werk
van God – al is het op een heel andere plaats en wijze dan de anderen
verwachtten. En ze vinden met alle verschillen een aantal ethische grenzen
waarin ze elkaar herkennen.

De wezenlijke vraag in Handelingen 15 is daarmee hoe breed het heil is en hoe
groot de genade. Dat is een riskante vraag, want als het breed en grenzeloos
wordt, verliest het evangelie ook zijn kritische kracht. Er is altijd ook zoiets als
tegenspraak die openbarend zou kunnen zijn. Tegelijk is de boodschap van
genade voortdurend gericht op die volmaakte vrijheid. Zolang mensen
beklemd zijn, is het heil nog niet volledig. Maar hoe voorkom je de
grenzeloosheid? Het is verleidelijk daar de wet tussen te schuiven, maar
daarmee zet je de genade klem.

Het gesprek over homoseksualiteit in de kerk zou dus niet moeten gaan over
wat wel en niet mag, over grenzen aan het liefdesleven van de een of aan de
tolerantie van de ander. Het gesprek zou moeten gaan over de vraag hoe de
genade doorwerkt in onze levens. Daarom kunnen we beter getuigen van de
weg die God met ons gaat dan dat we discussiëren over de grenzen.

5. Ethische richtlijnen voor het gesprek
Dat wil niet zeggen dat het gesprek over normen en regels niet gevoerd moet
worden. Er zijn namelijk fundamentele zaken in het geding, en die hebben
alles te maken met hoe we de Bijbel zien, hoe we omgaan met menselijke
verantwoordelijkheid en met de rol van de kerk om daar al dan niet leiding
aan te geven. Maar voordat dat allemaal aan de orde kan komen zijn er eerst
andere ethische normen in het geding. Die gaan onder meer over het gesprek
zelf. Als daar niet op gelet wordt – of misschien zelfs: als daar niet eerst over
onderhandeld is – loopt het gesprek grote kans te ontsporen. Ik wil hier een
paar van die richtlijnen noemen.

De eerste richtlijn is dat je elkaar werkelijk als gesprekspartners accepteert.
Dit houdt in dat je de ander, al is het maar voor de duur van het gesprek,
serieus neemt als iemand die evenveel aanspraak kan maken op de waarheid
als jij. Het betekent ook dat je de ander niet als object beschouwt waar je over
kunt praten, maar als subject: iemand die meepraat. Een consequentie hiervan
is dat niet de één voortdurend wordt beoordeeld door de ander. Dat kan de
homo zijn die zich moet verdedigen, maar ook de hetero die het voor zijn of
haar geweten niet kan maken alles te accepteren. Als de rolverdeling zo is dat
de een zich steeds verdedigt tegen de kritische vragen van de ander, dan is het
gesprek onmogelijk geworden.

De tweede richtlijn is dat beide partners even kwetsbaar moeten zijn in het
gesprek. Dat vloeit eigenlijk voort uit het principe van de wederkerigheid en
het doorbreken van aanval en verdediging, maar het gaat verder dan dat. Het
gaat nu ook over de wil om jezelf aan elkaar mee te delen. In veel gesprekken
is ook deze kwetsbaarheid eenzijdig, en dan kan het helpen om de vragen om
te draaien. Wat aan de homo gevraagd wordt moet in principe ook aan de
hetero gevraagd kunnen worden. De vraag ‘hoe ben je zo geworden?’ helpt
alleen maar als het een vraag naar beide kanten is. Als we hier niet op letten,
voeren we binnen de kortste keren een publiek gesprek over de meest intieme
zaken in het leven van een ander.

De derde richtlijn is dat we proberen elkaar in het geloof verder te helpen. Dat
is wat anders dan dat we voor elkaar moeten weten of bepalen wat de juiste
weg is. Ten diepste is dat altijd een vorm van minachting voor de ander en van
onderschatting van de mogelijkheden van Gods Geest. Ruimte laten aan elkaar
en respecteren van de verantwoordelijkheid van de ander mag samen gaan
met de bereidheid met die ander mee te leven. Dat geldt niet alleen voor het
onderlinge contact; ook voorgangers en kerkenraden hoeven niet de waarheid
in pacht te hebben. Vaak voelen ze zich klem zitten in de verantwoordelijkheid
overal antwoorden op te hebben. Geestelijk leiding geven is echter niet het
uitdragen van zulke antwoorden. Het is dienstbaar zijn aan de geloofsgroei en
dat is wat anders.

Het is niet noodzakelijk dat je het samen eens wordt. Ook niet als het gaat over
geloof en homoseksualiteit. Belangrijker is dat je bij de verschillen elkaar
opzoekt en ruimte maakt om elkaar te dienen. Uiteindelijk moeten we ons dan
ook afvragen of we het wel over de juiste vragen hebben. Het hele gesprek
(debat?) over homoseksualiteit kan ons afhouden van de onderliggende
vragen die ons veel meer kunnen leren: over de omgang met de Schrift
bijvoorbeeld. Maar dan helpt het om niet enkel zeven teksten te analyseren
die mogelijk gaan over homoseksueel gedrag, maar juist teksten te lezen die
spreken over hoe wij kerk zijn en hoe we daarin omgaan met diversiteit en
verschillen van inzicht. De echte vraag is niet hoe ‘zij’ homo moeten zijn maar
hoe wij gezamenlijk kerk moeten zijn.

Met toestemming van de schrijver en de uitgeverij overgenomen:

© R.Ruard Ganzevoort

Verschenen in: Ad de Bruijne (redactie) Open en kwetsbaar. Christelijk
debat over homoseksualiteit. Barneveld: De Vuurbaak, 45-55.

Uitgeverij: De Vuurbaak, Barneveld
Voetnoten:
1 G.J.M. van den Aardweg & J. Bonda, Een netelig vraagstuk. Homofilie, geloof en psychologie.
Nijkerk: Callenbach 1981.
2 J. Douma, Homofilie. Kampen: Van den Berg 1988.
3 L. Payne, Genezing van de homoseksueel. Hoornaar: Gideon 1984.
4 Saskia Keuzenkamp (red.), Niet te ver uit de kast. Ervaringen van homo- en biseksuelen in
Nederland. Den Haag: SCP 2012.
5 Het onderzoek maakt geen onderscheid tussen orthodoxe en liberale vormen van religie,
terwijl die juist in de visie op homoseksualiteit sterk verschillen. Daarom is de factor
‘negatieve reacties’ van groter belang voor de vragen in dit artikel dan de factor ‘religie’ zelf.

Coming out churches – Wielie Elhorst en Tom Mikkers

Gids voor kerk en homo
Het is soms moeilijk om als homo/lesbo een kerk te vinden die bij je past.

Omdat er veel aandacht uitgaat naar de negatieve berichtgeving over kerk en homoseksualiteit is er nu een boek die juist kijkt waar je wel terecht kunt. Vragen worden beantwoord als; in welke kerk kun je als homo/lesbo trouwen of waar kan ik mij op oriënteren als ik in een kerk terecht kom?

Daarnaast biedt dit boek ook een handreiking voor mensen die zich willen verdiepen in het onderwerp kerk, religie en homoseksualiteit.

Dezelfde maar dan anders – Henrieke Remmink

Dit boek gaat over een onderzoek met ongeveer 150 ouders van homoseksuele kinderen.
Wat gebeurd er met ouders als ze horen dat hun kind homo of lesbo is?

De geloofsvragen die dit kan oproepen, de communicatie met de zoon of dochter en inzicht in homofilie en seksualiteit maken dit boek tot een informatief boek zonder een pasklaar antwoord te hebben.

Hoor onze stem, – Randi Solberg ( Let our voices be heard)

Wat weten wij van de lesbische vrouw over de Nederlandse grenzen heen?

Een boek waarmee je vanuit je eigen huiskamer kunt ontdekken hoe christelijke lesbische vrouwen in heel europa leven. Van ex-jehova getuigen tot protestant en vrouwen die vanuit een christelijke achtergrond bekend zijn met islam en boeddhisme.

vertaling NL door Marianne Welten

Adam en Evert, door o.a. Ruard Ganzevoort


Adam en Evert Is een serieus boek over de spanning tussen kerk en homoseksualiteit.
Het boek bekijkt homoseksualiteit vanuit verschillende oogpunten met de daarbij behorende vragen.
Het onderwerp homoseksualiteit word zo breed getrokken dat voor elk wat wils in het boek zit. Homoseksualiteit en de bijbel, de historie en de interpretatie die je aan al deze onderwerpen kunt geven. De winst in dit boek zit in de onafhankelijkheid van de schrijvers en de handreikingen die worden gedaan aan het eind van het boek. De auteurs geven geen mening en trekken geen conclusies. Zij stellen vragen waar menig (christelijk) homoseksueel en pastoraal (t) medewerker zichzelf in kan herkennen. Voor mensen die geïnteresseerd zijn in een nieuwe visie op homoseksualiteit en op gemeente zijn.

EO documentaire “Uit de schaduw”


Als het om documentaire’s gaat, is er nog de EO-documentaire ‘Uit de schaduw’, waarin drie gelovige mannen inzicht geven in hun proces, waar het het omgaan met hun christen zijn en homoseksualiteit betreft. Net als in het EO programma ‘Jong’ zien we dezelfde profilering in drie ‘opties’ of ‘profielen’: een man die kiest voor celibaat, omdat hij in de veronderstelling is, dat God hem geen homoseksuele relatie toe staat; een man die naar genezing zoekt van zijn homoseksualiteit en de weg vindt naar een hetero-huwelijk en tot slot een homoseksuele man die zijn geluk in een relatie vindt.

http://www.eo.nl/algemeen/geloven/page/Christelijke_homo_s_uit_de_schaduw/articles/article.esp?article=11597114

Oranges are not the only fruit (Jeannette Winterson)

Oranges are not the only fruit’ is een verfilming van het boek van Jeanette Winterson.
De film is een tragikomisch beeld van een op geloofsgebied manipulatieve en sektarische opvoeding, waarbij een adoptief moeder een jong meisje indoctrineert. Vele ontroerende
momenten passeren de revue bij het opgroeien van Jessica, in de mensen die naar haar omkijken. Hilarisch zijn de bekerings- en wonderverhalen die haar adoptiemoeder plees schrobbend en badkamertegels plakkend rondstrooit.
Als in haar puberteit Jessica haar interesse in een meisje ontdekt en verkent, wordt ze in de secte van haar moeder gevangengezet en geïndoctrineerd, tot deze demon uit haar zal zijn gevaren. Door haar sterke wil weet ze haar eigen weg te vinden en bevechten.
De film is op Youtube, helaas weer zonder ondertiteling, te vinden. Wel is hij met ondertiteling te downloaden.

Deel 1

Deel 2

De overige delen kun je via Youtube vinden, maar de film lijkt niet helemaal compleet geupload te zijn.

Prayers for Bobby

De film Prayers for Bobby biedt een indringend en ontroerend portret van de jonge Bobby, die in een traditioneel, ‘Moral Majority’ gezin in de VS opgroeit. Vooral zijn moeder is erg streng evangelisch en schiet in de stress, als ze van Bobby’s broer moet horen, dat hij met homoseksualiteit worstelt en een zelfmoordpoging heeft ondernomen. Het portret biedt inzicht in Bobby’s eigen ontwikkeling, maar ook in het proces dat zijn moeder doormaakt rond het omgaan met geloven en homoseksualiteit.
De film is gebaseerd op een waargebeurde geschiedenis. De film is in de onderstaande link zonder ondertiteling integraal te zien.

De trailer is ook afzonderlijk te zien:

Op www.vrolijk.nu is hij als DVD te bestellen (helaas ook zonder ondertiteling).

LCC projecten op X-noizz Flevototaalfestival 2010

Tot slot van deze serie fragmenten een fotocollage van impresies: Contrario staat onder de vlag van LCC projecten op Xnoizz Flevototaalfestival 2010. Sindsdien is op dit christe-lijk jongerenfestival de activiteit toegenomen vanuit LCC(actie-combinatie van Contrario, CHJC met HolyFemales.nl en Mirre, onder koepelorganisatie LKP: o.a. een ontbijt met christelijke homo’s brengt het gesprek en de ontmoeting op gang, naast een workshop met discussie.