Website wil zelfdoding jonge homoseksuelen voorkomen

Om suïcidaal gedrag onder lesbische, homo-, bi- en transgenderjongeren (LHBT-jongeren) te voorkomen is op 10 oktober de website Iedereenisanders.nl gelanceerd. De site is een initiatief van MOVISIE en COC Nederland.
Het aantal zelfmoordpogingen onder homo- en biseksuele jongeren is vijf keer hoger dan onder heteroseksuele leeftijdsgenoten. Ook onder transgender jongeren lijkt zelfdoding veel voor te komen. Volgens onderzoeker Hanneke Felten komt dat door het gevoel anders te zijn, door zorgen over wie je het wel en wie je het niet verteld en vanwege angst voor uitsluiting, discriminatie, pesten en geweld. Zelfs de naaste volwassenen hebben vaak niet door dat ze steun nodig hebben.
Veel LHBT-jongeren durven met hun problemen niet aan te kloppen bij de huisarts, mentor of schoolmaatschappelijk werker, omdat ze niet weten of die hun geaardheid accepteren. Via de site kunnen ze tips en informatie vinden om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen en bijvoorbeeld andere LHBT-jongeren te ontmoeten.
Bron: MOVISIE

http://www.iedereenisanders.nl/

Toe aan rust, ruimte en/of een goed gesprek?

Toe aan rust, ruimte en/of een goed gesprek? Kijk op onze vernieuwde website http://www.txdageraad.nl

Als één van de weinigen op Texel bieden wij een vrijstaand gastenverblijf direct aan de Waddendijk, te midden van mooie, vogelrijke, natuurgebieden. Oosterend, het meest authentieke dorp van Texel, ligt op 2 kilometer afstand. In deze omgeving vol van natuurschoon en rust, bieden wij meer dan verblijf. Professionele coaching & psychosociale hulpverlening behoren tot de mogelijkheden. Daarnaast is txdageraad een plek voor mensen die op zoek zijn naar bezinning & inspiratie. Breng je graag je vakantie & vrije tijd door op Texel, weet dan dat hier een unieke plek beschikbaar is.

Joke en Willeke
http://www.txdageraad.nl

Flynn – Joanne Horniman

Wie kent het niet, bang om alleen over te blijven? Anna is zo iemand totdat ze Flynn tegenkomt.
Ze brengen veel tijd met elkaar door en zijn tot over hun oren verliefd.
Flynn is onberekenbaar en wanneer Anna ontdenkt wat de reden is en weet dat Flynn het verborgen heeft gehouden veranderd alles. Het verhaal van de eerste liefde waarna liefde nooit meer hetzelfde zal zijn.

Ochtendlicht – Sarah Rayner

In ochtendlicht komen drie levens van drie vrouwen bij elkaar door een ernstig ongeluk.
Door het rampzalige voorval komt het leven van de drie vrouwen onder een vergrootglas te liggen.
Rouw , seksualiteit en openheid over verslaving worden de onderwerpen van gesprek die deze drie nader tot elkaar zullen brengen. Ochtendlicht is geen letterkundig boek maar elk onderwerp word deskundig beschreven. Een uitdaging voor het emotionele brein.

Doorkijk – Sarah Kroos

Doodgewoon plaatjes van verschillende dagelijkse gebeurtenissen wordt geschetst.
Sara Kroos kijkt verder dan haar neus lang is en stelt zichzelf de vraag; Wat gaat erachter mensen en hun voorkomen schuil? Een boek waarbij je inkijkje krijgt
Zet je vooral aan het denken over het leven van de mensen die je zomaar kunt tegenkomen op straat. Een tragisch komische kijk op onze medemens.
Verlicht je denken

De duizend monden van onze dorst – Guido Conti

Net na de oorlog, de zomer van 1946, is er weer uitzicht op betere tijden. Ook in de liefde.
Twee jonge vrouwen ontmoeten elkaar op een feest. Een van de vrouwen is net teruggekomen van een verblijf op een kostschool tijdens de oorlog.
Hun harten raken elkaar, ondanks hun verschillende karakters. Zij willen bij elkaar zijn maar de families keuren hun relatie niet goed. Een doorsnee roman voor mensen die willen weten hoe deze twee jonge mensen hun eigen weg in de liefde vinden. Soms tegen wil en dank in.

Donor gezocht – Rianne Witte

Dit is het verhaal van Marit die naar aanleiding van een film zich bewust is dat ze als lesbisch stel ook kinderen kan krijgen. Haar vriendin heeft geen haast. Een wens en een verlangen naar kinderen die bij de ene vrouw sterker is dan bij de ander. Verlangens moeten worden bevredigd en opmerkelijke akkoordjes gesloten. Van proefkind naar inseminatiesetjes.
Een vlotte humoristische roman.

Allah heeft ons zo gemaakt – Khadija Arib

Dit boek gaat over hoe lesbische vrouwen in islamitische landen zich verhouden tot hun eigen cultuur en familiaire banden.
We denken vaak aan onderdrukking en onderdanigheid bij vrouwen uit islamitische landen. Dit boek gaat juist over de kracht van vrouwen die vraagtekens durven te plaatsen bij het leven wat ze leiden. Een boek waarbij je opgetild kan worden uit je eigen wereld.

Roze viering in Rotterdam 2 december 2012

Graag nodigen we je uit voor de komende Roze Viering 2 decemberr : Roze Viering Thema: ‘Ankers van Hoop’ Op zondag 2 december 2012 Om 15.00 uur

In de Paradijskerk, Nieuwe Binnenweg 25, Rotterdam Voorganger Pastoor Hans de Rie van de Paradijskerk Rotterdam Aansluitend koffie, thee, wijn en wat lekker in de Ark ernaast Kerk open vanaf 14.45 uur Aansluitend koffie, thee, wijn en wat lekkers in de Ark ernaast http://www.rozevieringenrotterdam.com

Handleiding voor paradijssceptici

De zin van een queer zondeval naar aanleiding van Genesis 3

Door Mariecke van den Berg ( overgenomen met toestemming van uitgeverij www.skandalon.nl en de auteur)

De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Genesis 3, 6-7

You call some place paradise, kiss it goodbye. The Eagles

Mijn eerste bewuste kennismaking met de boom was toen ik als eerstejaars student Engelse Taal en Cultuur tijdens een college over het gedicht The Tyger van William Blake in een intensieve discussie verzeilde met de docent. Inzet was de herkomst van het kwaad. In een soort Socratisch tweegesprek daagde hij me uit door te dringen tot de betekenis van de volgende zin uit het gedicht: ‘did He who made the lamb make thee?’  Schiep de schepper zowel de tijger als het lam, oftewel: maakte degene die het goede schiep ook het kwaad? We kwamen uiteindelijk uit bij de eerste keer dat het kwaad in de Bijbel genoemd wordt: de boom vankennis van goed en kwaad. En wie, zo vroeg de docent met iets van een tevreden glimlach, had die boom uiteindelijk geplant?

Ik wilde niet te makkelijk opgeven(eerder die week was bij het vak fonetiek al de Toren van Babel gesneuveld, een mens kan maar zoveel verdragen) en kwam met het welbekende argument dat dieboom de vrije keus van de mens waarborgt voor het goede of het slechte, voor God of tegen God. Maar erg overtuigd klonk het al niet meer en zou het ook laterniet meer klinken. Boom en toren hadden een eerste, belangrijke twijfel gezaaid die de het lastig maakte om op vragen rond complexe thema’s zoals het kwaad enhet goede nog automatisch antwoorden te geven. De vraag naar de herkomst van het kwaad is voor mij desondanks een abstracte gebleven totdat ik, als lesbischlid van een Evangelische studentenvereniging en een orthodox gereformeerde kerk, steeds meer reden kreeg om juist het goede te bevragen – of wat daar voor door ging. De boom zou een centrale rol gaan spelen in mijn pogingen om wat ik als tegenstrijdigheden in mijn leven ervoer (christelijk, lesbisch en feministzijn) bij elkaar te brengen, in de hoop dat het leven dat ik leef de potentie heeft een goed leven te zijn.In dit hoofdstuk wil ik om te beginnen graag vertellen hoe ik met deze vragen bezig ben geweest.

Ik ga eerst in op de context van conservatief christelijkeopvattingen waarbinnen mijn vragen spelen en de consequenties daarvan voor christelijke queers. Daarna maak ik een korte uitstap naar een roman die de spagaat tussen “traditie en queerness” op prachtige wijze heeft verwoord en mij een nieuwe kijk op de zondeval heeft verschaft. Daarna wil ik in een tweetal punten dieper ingaan op het beeld van het eten van de verboden vrucht. Want hoewel de boom van kennis van goed en kwaad en de verboden vruchten die er aan hangen slechts een marginale rol spelen in de conservatieve afwijzing van homoseksualiteit waar ik mee te maken kreeg, kunnen boom en vrucht een centraal symbool worden in de queer lezing van Genesis. Op verschillende wijzen zal worden beargumenteerd dat het beeld van het eten van de verboden vrucht voor queers nietals het begin van hun ‘afwijkende seksualiteit’ hoeft te gelden, maar door hen juist begrepen kan worden als een bevrijdende daad die het mogelijk maakt omafstand te nemen van een benauwende, heteronormatieve interpretatie van Genesis. Zo wordt de zondeval in de eerste plaats gelezen als de daad die kenmerkend is voor een gezonde twijfel aan het hetero-ideaal. Vervolgens wordt deze twijfel als opstap gezien voor groei en waardering van veranderlijkheid en diversiteit.

Wat zoeken Queers nog in de Hof van Eden? Wanneer ‘het goede’ betrekking heeft op relaties wil het, in de orthodox christelijke traditie waar ik mij als student toe rekende, zeggen dat men inzet op een huwelijk tussen man en vrouw waarin zij elkaar trouw blijven tot de dood hen scheidt en waarin zij het liefst ook kinderen krijgen. Genesis speelt in dit verhaal een belangrijke rol. Het scheppingsverhaal wordt namelijk, zo vond de feministisch theologe Rosemary Radford Ruether (1992) al, niet zelden gezien als een blauwdruk voor de structuren van familieleven en maatschappij. Zo wordt Genesis 2,24 gelezen als de instelling van het heterohuwelijk (‘zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw …’), en Genesis 1,28 als opdracht tot voortplanting (‘wees vruchtbaar en word talrijk… ‘).

Verder concludeerde de apostel Paulus in het Nieuwe Testament dat uit het feit dat Eva later geschapen werd dan Adam, de vrouw hiërarchisch onder de man stond en hem diende te gehoorzamen (bijvoorbeeld in 1 Cor. 11). De blauwdruk, of scheppingsorde zoals hierboven beschreven, botste fundamenteel met de verwachtingen die ik had over mijn eigen levensloop. Daarin speelde een meisje dat ik niet (altijd) hoefde te gehoorzamen en waarmee ik waarschijnlijk geen kinderen zou krijgen een hoofdrol. Dit verlangen werd in de kerk en op de studentenvereniging niet zelden “een stukje gebrokenheid” genoemd. Het is het orthodoxe adagium dat homoseksualiteit buiten de scheppingsorde plaats als iets ‘van na de zondeval’. Homoseksuele verlangens waren er oorspronkelijk niet, maar ontstonden pas op het moment dat de mens van de verboden vrucht at: de zondeval.

Het “stukje gebrokenheid” vertegenwoordigt een zekere consensus die men binnen het conservatief christendom heeft weten te bereiken over de herkomst van homoseksualiteit en het is tot op heden onbeperkt houdbaar gebleken. Het idee van homoseksualiteit als verstoorde vorm van verlangen als gevolg van de zondeval is, met andere woorden, een krachtig beeld voor wie wil erkennen dat het bestaat maar geen deel uitmaakt van het door God bedoelde oerbegin en daarmee in principe ‘goed’ zou kunnen zijn. Later zou ik voor mijn scriptie andere lesbische vrouwen uit de orthodoxe traditie interviewen en één van hen verwoordde het ongeveer als volgt: ‘Al die teksten over tempelprostitutie en knaapschenderij, dat geloof ik wel, dat is cultuurgebonden. Maar als ze over Genesis beginnen, over “man en vrouw schiep hij hen” en zo, dan hebben ze me, dan weet ik niet meer wat ik moet zeggen.’

Van het Genesisverhaal gaat kracht uit, juist omdat het niet zozeer gaat over de vele specifieke dingen en dingetjes die slecht, kwaad en verboden zijn, maar over het overrompelend simpel gedefinieerde goede, juiste en gebodene. Trouwen en kinderen krijgen: de eerste opdracht aan de mens is niet ingewikkeld. Als je daar niet eens aan wilt voldoen, wat zoek je dan nog in de Hof van Eden? Het verdriet van Genesis voor queers is dat het zo overweldigend het universeel goede van een bepaalde heterolevensstijl lijkt te poneren dat je het woord ‘cultuurgebonden’ hoogstens nog met een benepen piepstemmetje over je lippen krijgt. Wie niet wil, hoeft nooit van het argument van de scheppingsorde af te stappen.

Je dit realiseren als christelijke queer is nogal even slikken, want een vlugge blik in de media of in je eigen leven doet je al snel begrijpen dat er een behoorlijke groep mensen is bij wie inderdaad de wil ontbreekt om het universele heteronormatieve van Genesis ter discussie te stellen. Omdat het scheppingsverhaal in Genesis als oerbegin geldt voor het verhaal van de joods-christelijke traditie en daarmee je eigen ingang tot deze traditie vertegenwoordigt, kan het voelen als een deur die in je gezicht dichtslaat wanneer je beseft dat je aan deze voorwaarde voor het goede leven niet kunt of wilt voldoen. Een queer lezing van de zondeval zet brutaal een voet tussen die deur. Het is een wig die een zoektocht mogelijk maakt naar de betekenis die de christelijke traditie en in het bijzonder het verhaal van de zondeval kan hebben voor de ervaringen van queers.

De vrucht als startschot voor de coming-out In de (semiautobiografische) roman Sinaasappels en Demonen (Oranges are not the only fruit) van de Britse schrijfster Jeanette Winterson ontworstelt het meisje Jeanette, de lesbische hoofdpersoon van het verhaal, zich aan haar fundamentalistische, evangelische achtergrond om voor zichzelf een nieuw leven te beginnen. Het verhaal beschrijft voornamelijk de “Exodus” van de hoofdpersoon die een ander leven nastreeft dan binnen haar kerk mogelijk is. Wanneer ze merkt dat haar liefde voor haar vriendin bij haar geloofsgenoten, en dan met name haar zeer gedreven evangeliserende moeder, nooit geaccepteerd zal worden neemt zij afscheid van de traditie waarmee zij bekend is. Ze verlaat het dorpje waar ze opgroeide om in Londen een nieuw leven te beginnen.

Winterson grijpt voor de symboliek die dit afscheid omschrijft terug op Genesis, op het beeld van de verboden vrucht: ‘Van de vrucht eten betekent de tuin verlaten omdat de vrucht van andere dingen spreekt, andere verlangens. Dus tegen de schemering zeg je de plek die je liefhebt vaarwel, zonder te weten of je ooit terug zult komen, wetend dat je nooit terug kunt komen via dezelfde weg.´  In Wintersons omschrijving wordt het eten van de verboden vrucht uit de context van zonde gehaald. Het krijgt een andere betekenis, namelijk die van het besef dat de tijd van afscheid nemen komt op het moment dat je je realiseert dat je meer ruimte nodig hebt. Door het citaat heen hoor je bijna letterlijk het gefluister van de vrucht die blijft vertellen over andere (niet: zondige) dingen en verlangens ‘daar buiten’. De weemoed die in de woorden zit laat je voelen dat dit afscheid iets dubbels heeft. Je hebt een ideaal, dat van het paradijs, op moeten geven en hoewel er met je vertrek ruimte ontstaat om op onderzoek uit te gaan naar datgene wat je trekt, weet je nog niet wat je er voor terug zult krijgen.

Hiermee krijgt de boom van kennis van goed en kwaad een fundamenteel andere betekenis. De boom komt centraal te staan, niet in het drama van de val van de mens, maar eerder als startpunt van de mogelijkheden van een reisroman. In de hoedanigheid van eyeopener voor wie verder wil kijken biedt de boom verschillende ingangen voor een queer blik op de zondeval. Belangrijke thema’s en inzichten uit de queer theorie komen namelijk samen in het beeld van de verboden vrucht als startschot voor de coming-out, zoals deze bij Winterson te vinden is, en de gevolgen ervan voor de interpretatie van de zondeval. Boeken als die van Winterson gaan over paradijssceptici: mensen die het ideaal van het paradijs achter zich hebben gelaten, maar die na hun vertrek blijven nadenken over hoe een ideale samenleving er dan wèl uit zou moeten zien. Dat doen ze door de lastige vragen te stellen die de mooie elementen uit het paradijsverhaal weten te behouden maar de kwalijke elementen weten te filteren.

Dit houdt echter wel in dat men een stuk bekendheid en vertrouwdheid opgeeft. Hieronder komen twee elementen aan bod die met dit proces van bewustwording te maken hebben. Het eerste is dat van de twijfel aan het ideaal. Het tweede is dat van de noodzaak van die twijfel om het ideaal dan ook daadwerkelijk vaarwel te kunnen zeggen: het proces dat je coming-out zou kunnen noemen. Coming-out is waarschijnlijk voor iedereen anders, maar het kenmerkt zich door ontwikkeling, een zich verruimende blik en toekomstgericht denken. Zowel het verdrietige als het bevrijdende element van twijfel en afscheid komen terug in Wintersons roman en in het verhaal van de zondeval. Het is denk ik de meest eerlijke manier om naar het proces van coming-out te kijken en tegelijkertijd de meest hoopvolle, omdat het gekenmerkt wordt door het motief van het verder willen trekken om  nieuwe dingen te ontdekken.

Geen zonde maar gezonde twijfel

Wanneer Eva de slang vertelt wat ze weet over de boom van kennis van goed en kwaad leren we uit een terloopse opmerking dat deze niet ergens achteraf staat, maar pontificaal midden in de tuin (Gen. 3,3). Die centrale positie, die hier even tussen neus en lippen door genoemd wordt, is belangrijk voor de rol die de boom speelt in het verhaal. Je ziet voor je hoe Eva en Adam argeloos wandelingen willen blijven maken en verder niet willen nadenken, maar er altijd weer bij uitkomen. Die boom heeft iets van de hardnekkigheid van het centrale plein van een middeleeuws stadje: niet te missen. Vanuit het perspectief van queer theorie zou je kunnen zeggen dat de boom in het verhaal de functie heeft van een altijd al aanwezige twijfelmogelijkheid aan het ideaalplaatje die niet te ontkennen, hoogstens te onderdrukken is. Het paradijs bestaat bij gratie van je loyaliteit en die loyaliteit kan weer alleen bestaan wanneer je je afwendt van datgene wat het ideaal bedreigt, of dit zelfs bestrijdt.

Zo is binnen sommige christelijke tradities de Hof van Eden gebruikt om de traditie en de kerk ‘zuiver’ te houden van bedreigende elementen zoals homo’s, lesbiennes, transgenders en anderen die niet kunnen of willen voldoen aan de heteronorm. Het beeld van de verboden vrucht helpt om het paradijs als het ware te ontmaskeren als een soort exclusief vakantieoord voor hetero’s, dat in feite een ideologisch construct blijkt waar een prijs aan kleeft. Het is een ideaal waar je in kunt geloven en investeren, maar niet zonder dat je steeds weer (net als Jeanette in Sinaasappels en Demonen) uitkomt bij de vraag wat er nog meer is, wat je misschien over het hoofd ziet – en wie of wat je misschien hebt moeten uitsluiten om je verhaal over dat paradijs sluitend te laten zijn zodat je er over na kunt blijven denken als een veilige, besloten en goed geordende haven aan het oerbegin van de mensheid.

De theologe Catherine Keller, ook paradijsscepticus, laat in haar boek Face of the Deep zien hoe dit investeren in het paradijsideaal de gehele christelijke traditie heeft doorgewerkt. Bij Keller is het niet de zondeval waar het paradijsideaal begint te schudden: al op een veel vroeger moment in de tekst vindt zij aanleiding dit ideaal te bevragen. Zo betoogt Keller dat de wens om het paradijsverhaal kloppend te laten zijn met het dogma van Gods almacht geleid heeft tot een eenzijdige lezing van het eerste vers van het scheppingsverhaal, het vers waarin de geest van God over de wateren zweeft en de aarde woest en ledig is.

Keller is het niet eens met de kerkvaders die zich vooral gericht hebben op een schepping uit het niets (ex nihilo), omdat zij zich niet konden voorstellen dat een God die alles kan niet ook zijn beginmateriaal zou hebben geschapen. God, zo vindt zij echter, had te maken met de oervloed die er al was. Het punt dat Keller hierbij wil maken heeft niets van doen met een poging ruimte te maken voor evolutie. Zij is veel meer geïnteresseerd in het chaotische, onordelijke element van de oervloed en de redenen die men had deze oervloed gemakkelijk weg te stoppen in een ordelijk relaas over ons begin. Het maakt nogal wat uit of je aan de grondslag van het bestaan een almachtige, orde scheppende God stelt of het beeld van een diepe, onpeilbare watervloed waar nog van alles uit voort kan komen.

Keller prefereert de onpeilbare diepte van het water en daarmee een onzeker, in feite knoeierig begin. Want wanneer je op die manier naar de schepping kijkt zoek je niet langer naar een scheppingsorde waarin God een tweedeling schiep (licht tegenover duister, land tegenover water, mens tegenover dier) en voorbeide kanten van die tweedeling een positieve en negatieve betekenis in gedachten had. Je verruilt die orde voor het inzicht dat ook het allereerste begin gekenmerkt werd door onduidelijkheid, mogelijkheden die openliggen, en een wereld die niet noodzakelijk uit tweedelingen bestaat. Want het resultaat van die orde en tweedelingen is volgens Keller dat sommige groepen naar de marges zijn verdreven: vrouwen, mensen met een donkere huidskleur, homoseksuelen.

Een positieve kijk op de oervloed als onordelijk begin levert dan ook een andere kijk op homoseksualiteit: al bij Paulus kun je je afvragen op welke ‘natuurlijke omgang’ hij zich eigenlijk beroept die lesbische vrouwen volgens hem in Romeinen 1,26 verruild hebben voor een tegennatuurlijke omgang. Op zo’n natuurlijke omgang, op vanzelfsprekend en op de scheppingsorde berustend heteroseksueel verlangen kun je je dan niet zomaar beroepen. Zo’n scheppingsorde, meent Keller, kan op grond van de Bijbeltekst niet verondersteld worden.

In navolging van Kellers betoog krijgt de symboliek van het eten van de verboden vrucht symbool een nog diepere lading. Niet alleen betekent het dat je toegeeft aan het verlangen verder te kijken dan het paradijsverhaal. Je kijkt nog eens scherp en ziet dat het paradijsverhaal meer mogelijkheden biedt dan de dualistische orde waarin queers altijd het onderspit zullen delven. Het fluisteren van Wintersons vrucht valt samen met het ruisen van de oervloed, en de boodschap is hetzelfde: het verhaal van ons begin moet opnieuw verteld worden, juist door mensen die er in de traditie uit weg verklaard zijn. Daarom is het maar goed dat daar de boom is, en gelukkig staat deze midden in de tuin. Dat het Adam en Eva niet gelukt is er van af te blijven, is niet verwonderlijk wanneer die boom zo recht voor hun neus geplant is. Het was nooit de bedoeling dat we in het paradijs zouden blijven. Ook niet dat we er zouden terugkeren trouwens: niet voor niets worden er, nadat Adam en Eva uit het paradijs gejaagd zijn, wachters aangesteld met vlammende zwaarden die de toegang totde hof (eigenlijk: de levensboom) bewaken (Gen. 3,24). Wanneer ik op die manier aan de boom denk, voel ik iets van de tevreden glimlach van mijn docent Engelse literatuur. Deze boom midden in de tuin is een gestaag groeiende escape uit een bestaan dat van krampachtig vastgehouden zekerheden aan elkaar zou hebben gehangen. Dit is een belangrijke boodschap voor alle lezers van Genesis, niet alleen queers die zich een weg willen banen uit de benauwende heteronormatieve interpretatie.

Geen zonde maar ontwikkeling

Eerder al zijn velen aan de slag gegaan met soortgelijke alternatieve interpretaties van de zondeval, waarin de tragiek van de zonde ingewisseld wordt voor een positieve waardering van het eten van de verboden vrucht. Vanuit feministische theologie zijn er vele pogingen ondernomen om met een dergelijke interpretatie de positie van Eva in de christelijke traditie te verbeteren en daarmee het verband tussen ‘de vrouw’ en ‘het kwaad’ teniet te doen.

‘Bewustwording’ speelt daarin niet zelden een belangrijke rol. Zo is er het groeimodel, dat er van uit gaat dat het eten van de verboden vrucht niet zozeerzondig was als wel een noodzakelijke persoonlijke ontwikkeling. Hierdoor raakt de mens niet verwijderd van God, maar kan juist een volwassen relatie met God aangaan.  De zondeval is dan een soort overgangsritueel waarin Eva vervolgens een zeer actieve, positieve rol op zich neemt.

Mary Daly, die de basis heeft gelegd van veel feministische theologie, zag het eten van de verboden vrucht als een kans voor vrouwen om kennis te verweven van de patriarchale samenleving. Daarnaast zag ze het ook als een kans om met de kennis van goed en kwaad om te kunnen gaan zonder de schuld op een ander te schuiven, zoals Adam deed (Gen 3,12). Belangrijk is in ieder geval op te merken dat het eten van de vrucht hier niet symbool staat voor het zondigen tegen God, maar voor het bewust achter je laten van een staat van onschuld. Je zou het ook anders kunnen stellen: met het eten van de vrucht neem je afscheid van bepaalde denkbeelden, juist doordat je er inzicht in hebt gekregen.

Anne-Marie Korte meent dat het verhaal van de schepping en de zondeval (het verhaal van Eva) vooral gaat over de ´existentiële factoren´ waar de eerste mensen later in het verhaal mee te maken krijgen, zoals hun lichamelijkheid (barenspijn voor vrouwen, Gen. 3,16), hun afhankelijkheid van de natuurlijke omgeving (het zwoegen voor eten voor mannen, Gen. 3,17) en de wijze waarop zij daar mee omgaan.  Voor queers, maar niet alleen voor hen, zouden deze ´existentiële factoren´ nog specifieker kunnen worden ingevuld in gebeurtenissen en inzichten waar veel van hen in de loop van hun leven mee te maken krijgen. Met name voor christelijke queers spelen factoren als afwijzing en uitsluiting uit de gemeenschap vaak een rol.

Het antwoord dat hierop door de jaren heen vanuit de homogemeenschap en de homotheologie geformuleerd is heeft echter vaak juist niet met groei temaken gehad. Het antwoord op een statisch heteronormatief wereldbeeld is vaak een voorstelling van de homoseksuele identiteit als evenzeer onveranderlijkgeweest. Het beroep op een onveranderlijke homo-identiteit heeft dan de functie van een appèl op de gemeenschap om iemand toch te accepteren ´zoals hij of zijis´. Het identiteitsargument vind je binnen de christelijke traditie, maar ook de seculiere ´homolobby´ berust voor een belangrijk deel op deze algemeengeaccepteerde aanname.

Toch is het, hoewel een krachtig argument, niet ongevaarlijk om op die manier een plek onder de zon op te eisen. Je maakt dan namelijk gebruik van dezelfdemethode als de paradijsconstructie, door met een beroep op een onveranderlijke oorsprong te claimen dat iets juist of goed is. Of die onveranderlijkheidbiologisch of neurologisch juist is, doet eigenlijk niet ter zake. Feit is, dat er tussen homo en hetero een scala aan seksuele identiteiten en activiteiten zijn die maar weinig geholpen zijn met een beroep op homoseksualiteit als gegeven identiteit. Seksualiteit is geen continuüm met aan de ene kant de hetero’sen aan de andere de homo’s. Wanneer je daar in meegaat ben je weer terug bij het dualistische denken van de kerkvaders waar Keller zich tegen verzet.

Queertheorie erkent dat heteroseksualiteit in vele vormen bestaat, evenals homoseksualiteit. In de queer theorie zoekt men naar mogelijkheden om identiteit niet als gefixeerd maar als veranderlijk te zien, zodat er ruimte ontstaat voor hen die door gevestigde categorieën steeds weer buitengesloten worden wanneer weblijven denken in tweedelingen, hoe hard we ook de ondergewaardeerde kant van die tweedeling proberen op te waarderen. Zoals queer theoretica Tiina Rosenberghet uitdrukt: ‘In zekere zin is het meest onveranderlijke in de menselijke identiteit de verandering zelf, en het menselijk onvermogen om op die veranderlijkheid te reflecteren. Een statische identiteitsopvatting schept weliswaar zekerheid, maar vereenvoudigt tegelijkertijd een complexe menselijkeervaring’.Je zou kunnen zeggen dat Winterson’s positieve waardering van de verboden vrucht hierover gaat: het durven reflecteren op de veranderlijkheid van de menselijke identiteit en daarmee automatisch het bevragen van de vanzelfsprekendheid van de heteroseksuele identiteit.

Winterson, en ook Rosenberg, moedigen het opgeven van de zekerheid over je eigen identiteit juist aan, ook als daar een pijnlijke “zondeval” aan vooraf moet gaan waarin je het verlies van zekerheid accepteert. Dat is de noodzakelijke “collateral damage” van de groeipijn. Wat deze opvatting van de zondeval vooral duidelijk maakt, is dat “queer”zijn niet zozeer een identiteit maar een houding betreft: queer bén je niet zozeer, je dóet het door steeds opnieuw de lastige vragen te stellen. Wanneer je hiermee op zou houden zodra je voor jezelf acceptatie hebt gevonden creëer je opnieuw een paradijs, maar wat je dan doet is het zwitserlevengevoel van het heteroparadijs inwisselen voor het veilige comfort van een gay resort.

De zondeval, met andere woorden, kan symbool staan voor de periode van de coming-out maar heeft als symbool voor een religieuze queer levenshouding een nog diepere en veel langdurigere betekenis wanneer je het eten van de vrucht opvat als eenlevenslange taak om paradijsscepticus te zijn. Wanneer op bovenstaande manier geïnterpreteerd kan, ten slotte, het opeisen van de zondeval voor queer doeleinden een beeld zijn voor de paradigmaverschuiving die ‘afwijkende’ seksualiteit uit de sfeer van zonde trekt en deze juist als startpunt neemt voor een levenshouding waarin toewijding aan twijfel en de waardering van verandering een belangrijke rol spelen. Zo’n actie past in de geschiedenis van de queer beweging als een beweging waarin activisme een belangrijke rol speelt. Het woord “queer” zelf is immers ooit van een scheldwoord door homo’s, lesbiennes en transgenders omgevormd tot een eigennaam en politiek statement. In die strategie kan iets schokkends zitten. Een christelijke gemeenplaats als de zondeval als iets positiefs en nastrevenswaardigs beschouwen, kan voor sommigen best confronterend zijn. Dat schokkende element heeft vanaf het begin de queer beweging gekenmerkt. In de inleiding had ik het al over een brutale voet tussen de deur: queer cultiveert het ongemakkelijke gevoel dat ontstaat wanneer op te duidelijke wijze de heteronorm bevraagd wordt.

Dit gevoel ontstaat echter niet zozeer doordat queers zo afwijkend zouden zijn, maar doordat zij herinneren aan het feit dat ook heteroseksualiteit een ideaal is waarin steeds op nieuw geïnvesteerd moet worden. Dit ongemakkelijke wordt veroorzaakt niet doordat queers het bedenken, maar doordat zij een felle lamp zetten op verborgen elementen in gangbare verhalen die men maar liever vergeet. De boom is zo’n element: hij staat daar in de Hof van Eden als de altijd al aanwezige stoorzender in het sluitende verhaal van de scheppingsorde. De paradijsscepticus leert te glimlachen om die stoorzender en te vragen: “schiep hij die het lam schiep ook jou?” Om vervolgens met een kus afscheid te nemen.

Literatuur Keller, Catherine, Face of the deep. A theology of becoming, Londen/New York: Routledge 2002.

Korte, Anne-Marie, ‘Vallen en opstaan in het paradijsverhaal. Genesis 2-4 in feministisch theologisch perspectief’ in H. Goris en S. Hennecke (red.), Adam en

Eva in het Paradijs. Actuele visies op man en vrouw uit 2000 jaar christelijke theologie, Zoetermeer: Meinema 2005, 167-182.

Radford Ruether, Rosemary, Gaia & God. An ecofeminist theology of healing, Londen: SCM Press 1992.

Rosenberg, Tiina, Queerfeministisk agenda, Stockholm: Atlas Akademi 2002.

Artikel overgenomen met toestemming van uitgeverij Skandalon http://www.skandalon.nl en auteur Mariecke van den Berg